Uitspraak
1.[appellant 1] ,wonende te [woonplaats] ,
4. RevealRox HQ,
1. Het geding in eerste aanleg, het geding in hoger beroep en het geding in cassatie
2.Het geding in hoger beroep na verwijzing
- het exploot van 31 juli 2023 waarbij [appellanten] [geïntimeerde] hebben opgeroepen om bij dit hof voort te procederen, met producties 1 tot en met 4;
- de Rol-/Archiefkaart, waaruit blijkt dat [geïntimeerde] op de dienende dag niet is verschenen;
- de door [appellanten] genomen memorie na verwijzing.
3.De beoordeling
- a. SolidNature is een onderneming die zich bezighoudt met het leveren en plaatsen van natuursteen. RevealRox houdt zich bezig met de exploitatie van negen Iraanse steengroeven die zijn aangekocht door (feitelijk) [appellant 1] . De vennootschap ATRH Holding B.V. (hierna: ATRH) behoort tot dezelfde groep als SolidNature en RevealRox.
- b. [appellant 1] was tot 2020 middellijk bestuurder van SolidNature. [appellant 2] , de broer van [appellant 1] , is hem als middellijk bestuurder van SolidNature opgevolgd en was voorheen ook in het concern werkzaam.
- c. De hiervoor onder a bedoelde Iraanse steengroeven werden tot mei 2017 geëxploiteerd door een joint venture van [appellant 1] en [persoon A] (hierna: [persoon A] ). Deze samenwerking is met een conflict geëindigd.
- d. [geïntimeerde] is op 1 mei 2017 in dienst getreden bij ATRH als teammanager operationele zaken. In november 2017 is feitelijk een einde gekomen aan de arbeidsovereenkomst tussen [geïntimeerde] en ATRH.
- e. Vanaf 1 september 2017 heeft [persoon B] (hierna: [persoon B] ) als verkoper gewerkt voor RevealRox. [persoon B] heeft dit contract op 24 november 2017 beëindigd.
- f. In november 2017 zijn verschillende werknemers van ATRH, SolidNature en RevealRox telefonisch benaderd door [persoon B] met onder meer de mededeling dat [appellant 1] en [appellant 2] betrokken zijn bij criminele activiteiten (waaronder drugshandel, witwassen, oplichting en afpersing) en op die manier hun geld verdienen.
- g. Op 1 december 2017 heeft [appellant 1] een e-mail ontvangen van een afzender genaamd Global Advisory Board Middle East (hierna: GABME). In deze e-mail stond vermeld dat sprake zou zijn van een ‘international fraud investigation’ met betrekking tot de ondernemingen van [appellant 1] en dat vier uur later een bij de e-mail gevoegd rapport met de naam ‘International Security and Fraud Alert – Iranian Fraud’ (hierna: het GABME-rapport) internationaal zou worden vrijgegeven. Diezelfde dag is het GABME-rapport gepubliceerd op het internet.
- h. In het GABME-rapport worden [appellant 1] en [appellant 2] en een aantal andere aan SolidNature en RevealRox gelieerde personen beschreven als criminelen en fraudeurs, die investeerders in en schuldeisers van hun ondernemingen niet betalen. Daarnaast wordt verslag gedaan van een extravagante levensstijl van de broers [naam] . Een foto van [appellant 1] wordt getoond en ook foto’s van anderen, die met een zwarte balk voor hun ogen zijn afgebeeld.
- i. GABME is een in werkelijkheid niet bestaande organisatie. Het GABME-rapport is opgesteld door [persoon B] .
- j. Op 2 december 2017 hebben verschillende werknemers van SolidNature en RevealRox een e-mail ontvangen van GABME waarin is vermeld dat [persoon A] is opgelicht door [appellant 1] en dat investeerders, leveranciers en werknemers met lege handen achterblijven door zijn luxeleven. De werknemers worden in die mail opgeroepen om de hun bekende vermogensbestanddelen van (onder meer) [appellant 1] door te geven, waarbij een beloning in het vooruitzicht wordt gesteld.
- k. Vanaf 4 december 2017 zijn via Twitter onder de naam GABME berichten gepost met een link naar de website waarop het GABME-rapport was gepubliceerd. Het rapport is ook onder klanten en relaties van SolidNature en RevealRox verspreid en anoniem toegezonden aan de redactie van het tijdschrift Quote. In dit tijdschrift is op 4 december 2017 een artikel verschenen over het geschil tussen [appellanten] en [persoon A] .
- l. In februari 2018 heeft ene ‘ [persoon C] ’ een e-mail aan [appellant 1] verzonden met daarin een verwijzing naar een soortgelijke website als die waarop het GABME-rapport was gepubliceerd met de titel ‘Europe Largest Scam Inc. Exposed’.
- m. Quote heeft op 20 februari 2018 een artikel gepubliceerd dat is gewijd aan de zakelijke activiteiten van [appellant 1] .
- n. ‘ [persoon C] ’ heeft op 20 februari 2018 een e-mailbericht verstuurd aan [appellant 1] en werknemers van SolidNature en RevealRox met als onderwerp ‘Quote Magazine exposes the criminal and thief [appellant 1] ’. Daarbij was als bijlage het artikel uit Quote gevoegd en werd [appellant 1] uitgemaakt voor ‘criminal and psychopaat’. Het artikel is door ‘ [persoon C] ’ ook aan diverse (overheids)instanties toegezonden.
- o. De e-mails van ‘ [persoon C] ’ zijn feitelijk opgesteld door [persoon B] en [persoon D] .
- p. [appellanten] hebben op 31 januari 2018 conservatoir bewijsbeslag doen leggen ten laste van [geïntimeerde] op diverse (digitale) bescheiden (hierna: de beslagen bescheiden). De beslagen bescheiden zijn in gerechtelijke bewaring gegeven aan DigiJuris B.V.
- De vraag of de inhoud van de GABME-berichtgeving al dan niet juist is, kan in het midden blijven. De door [appellanten] genoemde aanwijzingen – zowel ieder afzonderlijk als alle tezamen – zijn namelijk onvoldoende om daaruit een redelijk vermoeden van betrokkenheid van [geïntimeerde] bij de GABME-berichtgeving af te kunnen leiden (rov. 4.8).
- Al met al hebben [appellanten] geen concrete genoegzame onderbouwing gegeven die de conclusie zou kunnen dragen dat [geïntimeerde] daadwerkelijk betrokken is geweest bij het opstellen van de GABME-berichtgeving en de verspreiding daarvan (rov. 4.9).
- Omdat het door [appellanten] gestelde onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] en daarmee het bestaan van een rechtsbetrekking tussen partijen onvoldoende aannemelijk is, is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 843a Rv. De vorderingen van [appellanten] in conventie worden daarom afgewezen (rov. 4.10).
- Omdat in conventie het bestaan van een rechtsbetrekking tussen partijen onvoldoende aannemelijk is geacht en de vordering tot afgifte van de beslagen bescheiden om die reden is afgewezen, moeten de bewijsbeslagen onrechtmatig worden geacht. De vorderingen van [geïntimeerde] in reconventie tot opheffing van de bewijsbeslagen, tot beëindiging van de gerechtelijke bewaring en tot vernietiging van de beslagen bescheiden worden daarom – niet uitvoerbaar bij voorraad – toegewezen (rov. 4.15).
- de door [appellanten] ten laste van [geïntimeerde] gelegde conservatoire bewijsbeslagen opgeheven;
- de gerechtelijke bewaring beëindigd, en
- [appellanten] veroordeeld om het ertoe te leiden dat de in beslag genomen en in bewaring gegeven bescheiden binnen 24 uur na betekening van het vonnis (mits onherroepelijk) worden vernietigd, op straffe van verbeurte van een dwangsom.
- a. De eerste grief ziet op de door de rechtbank vastgestelde feiten en kan onbehandeld blijven omdat het hof de relevante feiten zelfstandig heeft vastgesteld. De overige grieven zullen thematisch worden behandeld (rov. 6.2).
- b. [appellanten] moeten niet-ontvankelijk worden verklaard in hun hoger beroep tegen het tussenvonnis van 4 juli 2018 (rov. 6.3).
- c. [appellanten] hebben in hoger beroep de aan hun inzagevordering ten grondslag gelegde onrechtmatige daad van [geïntimeerde] uitgebreid tot deelname aan een ‘kapotmaakstrategie in drie fasen’, namelijk:
- d. Tijdens de zitting bij het hof hebben [appellanten] de grondslag van hun vordering nog verder uitgebreid met een beroep op artikel 6:166 BW Pro. Die wijziging van de grondslag van de vordering heeft te laat plaatsgevonden en moet daarom buiten beschouwing blijven (rov. 6.6).
- e. [appellanten] hebben belang in de zin van artikel 843a Rv bij de door hen verzochte inzage, in verband met de bodemprocedure (de hoofdzaak) waarin zij schadevergoeding van [geïntimeerde] vorderen (rov. 6.8).
- f. De rechtsbetrekking als bedoeld in artikel 843a Rv (de door [appellanten] gestelde onrechtmatige daad) moet voldoende aannemelijk worden gemaakt door [appellanten] (rov. 6.9 en 6.10).
- g. Aangezien de inzagevordering betrekking heeft op de onder het bewijsbeslag rustende bescheiden, moet de rechtsbetrekking in het verlengde liggen van de grondslag van het gelegde bewijsbeslag. Het bewijsbeslag is gelegd wegens vermoedelijke betrokkenheid van [geïntimeerde] bij de lastercampagne.[Het hof neemt aan dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden hier tevens doelt op de
- h. De omstandigheden die [appellanten] hebben aangevoerd om betrokkenheid van [geïntimeerde] bij de lastercampagne aan te tonen, zijn in onderlinge samenhang beschouwd, voldoende om de aannemelijkheidsdrempel voor de inzage in enige in bewijsbeslag genomen bescheiden te rechtvaardigen (rov. 6.12 en 6.13).
- i. Onder het bewijsbeslag vallen alle bescheiden waarin tenminste één van de in het beslagrekest voorkomende woorden voorkomt en die dateren uit de periode 1 mei 2017 tot de datum van beslaglegging op 31 januari 2018. In het beslagrekest zijn ook tamelijk algemene woorden als Iranian, criminal, oplichting en fraude opgenomen. Deze selectie is veel te ruim. Datzelfde geldt voor minder algemene woorden als [naam] die, als werkgever van [geïntimeerde] , ook ruim in zijn correspondentie/ gegevensverkeer voor kan komen zonder dat sprake is van enige relatie met de in aanmerking te nemen (gestelde) onrechtmatige daad (rov. 6.14).
- j. Van de onder het beslag vallende bescheiden dient een minder ruime selectie te worden vervaardigd. Deze te maken selectie betreft uitsluitend alle in beslag genomen bescheiden waarin het woord
- k. Deze nadere selectie dient vervolgens eerst aan [geïntimeerde] te worden verstrekt, waarna [geïntimeerde] veertien dagen de gelegenheid heeft om bezwaar te maken tegen de verstrekking van concrete in de selectie opgenomen bescheiden en zo nodig de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel (locatie Zwolle) kan benaderen als hij vindt dat die concrete bescheiden niet ter inzage verstrekt mogen worden (rov. 6.16).
- l. De grieven, gericht tegen de afwijzing van de inzagevordering slagen dus ten dele (rov. 6.17).
- m. Het subsidiaire verweer van [geïntimeerde] dat de berichtgeving omtrent [appellanten] grotendeels op waarheid berust, hoeft niet in deze inzageprocedure besproken te worden maar is een verweer dat de schadeplichtigheid raakt en dat aan de orde komt in de hoofdprocedure (rov. 6.18).
- n. Voor zover het bewijsbeslag betrekking heeft op meer bescheiden dan die waarvan het hof hiervoor heeft geoordeeld dat de inzagevordering toewijsbaar is, dient dit beslag te worden opgeheven en dienen de resterende bescheiden te worden vernietigd aangezien het gaat om kopieën van de originelen die bij [geïntimeerde] berusten. De grieven tegen de toewijzing van de vordering in reconventie falen in zoverre, maar slagen voor zover zij betrekking hebben op de bescheiden waarvan inzage moet worden verleend (rov. 6.19).
- o. De kosten van het bewijsbeslag kunnen niet in de inzageprocedure worden gevorderd maar in de hoofdzaak als daarin blijkt dat de vordering waarvoor het beslag is gelegd, toewijsbaar is. [appellanten] hebben ter zitting bij het hof hun vorderingen ter zake de kosten van het bewijsbeslag ingetrokken (rov. 6.20).
- p. Het bewijsaanbod van [appellanten] moet worden gepasseerd (rov. 6.21).
- [geïntimeerde] veroordeeld om binnen veertien dagen nadat én het arrest is betekend én hem een aangepaste lijst met bescheiden in overeenstemming met rov. 6.15 en 6.16 ter hand is gesteld (opgesteld door deurwaarderskantoor [xxx] dan wel DigiJuris B.V.), de op die lijst vermelde bescheiden in afschrift aan [appellanten] te (doen) verstrekken, met dien verstande dat indien hij tegen de afgifte van concrete door hem aangeduide bescheiden bezwaar maakt, tussen partijen geen overeenstemming kan worden bereikt en de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, is aangezocht, de termijn van terhandstelling eerst verstrijkt één dag nadat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan;
- bepaald dat, indien [geïntimeerde] na het verstrijken van deze termijn geen medewerking verleent aan de terhandstelling, het arrest in de plaats treedt van de vereiste toestemming en [appellanten] worden gemachtigd om [xxx] dan wel DigiJuris B.V. te instrueren tot het verstrekken van de hiervoor bedoelde afschriften;
- deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- de op 31 januari 2018 door [appellanten] ten laste van [geïntimeerde] gelegde conservatoire bewijsbeslagen opgeheven, voor zover die rusten op andere bescheiden dan de bescheiden die vallen onder de hiervoor omschreven inzageverplichting, en de gerechtelijke bewaring daarvan beëindigd;
- [appellanten] veroordeeld om het ertoe te leiden dat de volgens de processen-verbaal van beslaglegging in beslag genomen en aan DigiJuris B.V. in bewaring gegeven bescheiden, data en/of gegevensdragers die niet vallen onder de inzageverplichting binnen 24 uur na betekening van het arrest (mits onherroepelijk) worden vernietigd, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- per dag of gedeelte daarvan dat [appellanten] niet aan deze veroordeling voldoen, tot een maximum van € 100.000,-- is bereikt;
- de proceskosten van de procedure in beide instanties gecompenseerd, in die zin dat beide partijen de eigen kosten moeten dragen;
- het meer of anders gevorderde afgewezen.
- het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 juni 2021 vernietigd;
- het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar dit hof (het gerechtshof ’sHertogenbosch);
- [geïntimeerde] in de kosten van het principaal cassatieberoep veroordeeld.
- i. de eiser of verzoeker moet een rechtmatig belang hebben bij inzage, uittreksel of afschrift;
- ii. het moet gaan om bepaalde bescheiden, en
- iii. de vordering moet bescheiden betreffen aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of verzoeker partij is.
- De in hoger beroep gedane vermeerdering van de grondslag van de inzagevordering, aldus dat onrechtmatige daad van [geïntimeerde] mede bestaat uit deelname aan een ‘kapotmaakstrategie in drie fasen’, namelijk (1) het verzamelen van informatie over activa van [appellanten] waarop [persoon A] zich zou kunnen verhalen, (2) het plegen van karaktermoord op [appellanten] door het verspreiden van lasterlijke informatie, en (3) het bewerkstelligen van een exodus onder het personeel, is toelaatbaar (rov. 6.4 en 6.5 van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden).
- De uitbreiding van de grondslag van de vordering van [naam] tijdens de zitting bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden met een beroep op artikel 6:166 BW Pro, heeft te laat plaatsgevonden en moet daarom buiten beschouwing blijven (rov. 6.6 van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden).
- A. alle emailverkeer van [geïntimeerde] met [persoon B] (het adres [e-mailadres] );
- B. alle uitgaande emailverkeer naar adressen die eindigen op [e-mailadres] ;
- C. alle whatsapp-verkeer en sms-berichten van en met de in het beslagrekest genoemde telefoonnummers die op naam staan van [persoon B] ;
- D. de uitgaande berichten naar de telefoonnummers die volgens het beslagrekest op naam staan van het tijdschrift Quote dan wel daar werkzame personen.
- Fraud alert;
- Fraude;
- Oplichting;
- Iranian;
- Duped investors;
- Criminal;
- Scam.
- IBAS;
- Your hosting;
- Wordpress.
- [naam];
- [appellant 1] ;
- [appellant 2] ;
- [appellant 2] (hof: de tweede voornaam van [appellant 1] ;
- [persoon A] ;
- [persoon A] (hof: een afkorting van de naam van [persoon A] ).
- de vorderingen van [appellanten] in conventie toewijzen zoals hierna onder “De uitspraak” omschreven;
- de vorderingen van [geïntimeerde] in reconventie afwijzen;
- [geïntimeerde] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van de gedingen in conventie en in reconventie.
- Explootkosten € 81,--
- Griffierecht € 626,--
- Salaris advocaat € 3.222,-- (3 punten x € 1.074,--)
- Explootkosten € 99,01
- Griffierechten € 741,--
- Salaris advocaat € 2.428,-- (2 punten x tarief II)
- Nakosten € 178,-- (plus de verhoging zoals vermeld in de
4.De uitspraak
- de proceskosten van het geding in conventie ten bedrage van € 3.929,--;
- de proceskosten van het geding in reconventie ten bedrage van € 814,50,--;
- de proceskosten van het hoger beroep ten bedrage van € 3.446,01;