Uitspraak
5.Het verdere verloop van de procedure
- de memorie van grieven (met eiswijziging);
- de memorie van antwoord.
6.De beoordeling
bought in the state as it is without warranty of any kind’.
‘Dear Ladies and Gentlemen! Unfortunately we have to inform you that the tractor you bought [merk] [type] (chassis no. [nummer] ) had a gearbox damage on purchase! Please see enclosed photo! We drove since the purchase only 2.5 hours (unloading of the truck and to SErvice and inspection - Pickerl) in the workshop! I would like to ask you to 13.03.2018 for short written opinion on the matter, otherwise we will hand over the matter of our legal expenses insurance!’
‘The tractor has been sold in the state as it was and without warranty. when the tractor left us, it was okay! We have been kind enough to pay a refund for an axle that was not with the tractor. So I think we 've already done more than if we had to do.’
‘Enclosed as requested, I send you more photos of the broken gear from the [merk] [type] ! Have today with the specialist visited the thing! The first damage in the gearbox, according to the broken gearwave, occurred about 300 to 500 hours ago! The consequential damages have arisen! The tractor is currently in the workshop (...) Please contact the workshop yourself!' 1 can send more pictures! I expect a suggestion from her side until tomorrow evening !!’
‘Hab dir die ganzen Teile mal aufgelistet, nicht schrecken hab das Hinterachsgehäuse and Triebling- Tellerrad Original auch dabei, gibt 's Repariert! Bei uns könnte ich dir für die ganzen Teile wie sie oben stehen 10.400€ machen, Für das Gehäuse und den Triebling- Tellerrad gebe ich dir Montag noch die Preise durch, heute erreiche ich keinen mehr, da wird es dann günstiger! Bitte melde dich wenn du abends mal vorbei kommst um dir vor Ort ansehen zu können.’
Kaufvertrag’), welk bedrag door hem in mindering is gebracht op de in het onderhavige geding ingestelde vordering. [appellant] heeft ter comparitie op de door de kantonrechter besproken verschillen tussen de door hem overgelegde e-mails en de door [X] ontvangen e-mails gereageerd met de verklaring dat hij dit in ieder geval niet bewust zo heeft gedaan of doorgestuurd en dat wellicht de auteur ermee te maken heeft of dat er iets mis is gegaan met het kopiëren van de e-mail.
- dat de Nederlandse rechter bevoegd is op grond van art. 4 lid 1 Brussel Pro I bis-Vo (r.o. 4.1 vs);
- dat Nederland en Oostenrijk beide partij bij de Verordening (EU) nr. 593/2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomsten (Rome I); dat bij gebreke van een rechtskeuze op grond van artikel 4 lid 1 sub a geldt Pro dat de overeenkomst voor de verkoop van roerende zaken wordt beheerst door het recht van het land waar de verkoper zijn gewone verblijfplaats heeft. Dat in dit geval dus Nederlands recht van toepassing is (r.o. 4.2 vs);
- dat de omstandigheid dat partijen in Oostenrijk hebben geprocedeerd er niet aan in de weg staat dat [appellant] de vordering opnieuw bij de Nederlandse rechter instelt maar dat de Nederlandse rechter aan de in Oostenrijk gegeven beslissing in beginsel gezag dient toe te kennen indien aan een aantal (in r.o. 4.3 van het vonnis opgesomde) voorwaarden is voldaan (r.o. 4.3 vs);
- dat in dit geval aan die voorwaarden is voldaan en er daarom op grond van de door de Oostenrijkse rechters gegeven beslissingen van moet worden uitgegaan dat [appellant] bij de koop van de tractor niet heeft gehandeld als consument in de zin van art. 17 van Pro de Brussel I bis-Vo(r.o. 4.3 vs);
- dat dit betekent dat er geen sprake is van een consumentenkoop, zodat (onder andere) artikel 7:18 lid 2 BW Pro toepassing mist en dat het Weens Koopverdrag van toepassing is op de koopovereenkomst van partijen, zodat bij de inhoudelijke
- dat het, gelet op het bepaalde in art. 36 lid 1 Weens Pro Koopverdrag, op de weg van [appellant] ligt om te stellen en zo nodig te bewijzen dat de tractor bij aflevering door [X] aan de door [appellant] ingeschakelde transporteur niet aan de overeenkomst beantwoordde (r.o. 4.7 vs);
- dat [appellant] niet aan die stelplicht heeft voldaan en dat de kantonrechter daarbij mede in aanmerking neemt dat hij niet aan zijn verplichting ex art. 21 Rv Pro heeft voldaan om in de dagvaarding alle voor de beoordeling van de vordering van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren; dat [appellant] heeft nagelaten te vermelden dat en waarom de Oostenrijkse rechter zich onbevoegd heeft verklaard en met name dat de Oostenrijkse rechter heeft geoordeeld dat [appellant] niet handelde als consument; dat dit te meer van belang was omdat [appellant] zich thans opnieuw erop beroept dat hij de tractor als consument heeft gekocht; dat [appellant] in de dagvaarding verder in strijd met de waarheid heeft gesteld dat het transport door [X] is verzorgd en dat hij in strijd met de waarheid heeft gesteld dat hij bij een op 9 maart 2018 verzonden e-mail [X] heeft bericht over het gestelde gebrek en daartoe een productie (prod. 5 inl. dagv.) heeft overgelegd die afwijkt van de door [X] ontvangen e-mail waarop een verzenddatum van 11 maart 2018 is vermeld (r.o. 4.8 vs);
- dat de kantonrechter aan de schendingen van de waarheidsplicht de consequentie verbindt dat geen geloof wordt gehecht aan de stelling van [appellant] dat hij de tractor op 9 maart 2018 nog niet had gebruikt, althans dat daarmee op dat moment slechts 2,5 uur mee was gereden; dat de kantonrechter die stelling bovendien in tegenspraak acht met de in de procedure in Oostenrijk door [appellant] afgelegde verklaring en de in die procedure vastgestelde feiten, waaruit moet worden geconcludeerd dat [appellant] de tractor al direct na aflevering heeft gebruikt; gezien de stelling van [appellant] dat het gestelde gebrek de tractor onbruikbaar doet zijn, moet er volgens de kantonrechter daarom van worden uitgegaan dat de tractor toen nog vrij was van een gebrek aan het aandrijfmechanisme; dat [appellant] aldus onvoldoende heeft onderbouwd dat de tractor op het moment van aflevering niet aan de overeenkomst beantwoordde (r.o. 4.9 vs).
- dat [appellant] de waarheidsplicht dusdanig heeft geschonden dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan misbruik van procesrecht dan wel onrechtmatig handelen (r.o. 4.13 vs);
- dat de vordering tot vergoeding van de werkelijke proceskosten daarom toewijsbaar is voor de in de procedure in Nederland gemaakte proceskosten (4.14 vs);
(i) kosten Hennerbircher € 3.300,=
(ii) kosten Hochrater € 3.517,32
€ 4.828,90Totaal: € 11.646,22
gibts Repariert”) een zinsdeel ontbreekt
(“,Triebling- Tellerrad könnte man zur Not auch nochmal einbauen, würde es auch einen Nachbau geben der günstiger ist”). Dat het [X] en niet [appellant] is geweest die het zinsdeel heeft verwijderd acht het hof onaannemelijk. [appellant] geeft ook niet aan welk belang [X] daarbij zou kunnen hebben. Dat [appellant] in dezelfde e-mail [X] uitnodigt zelf contact op te nemen met Zwettl roept hoogstens de vraag op wat [appellant] dacht te kunnen bereiken met het weglaten van de passage; dit neemt de manipulatie – en de mogelijke invloed van de bewerkte tekst op [X] – niet weg. Met het overleggen van het onbewerkte origineel heeft [appellant] de suggestie gewekt dat deze aan [X] is verzonden. Dat strookt niet met artikel 21 Rv Pro. De aanvankelijke ontkenning van het verschil doet dat evenmin.
Club La Costa). Dat brengt mee dat een persoon die een overeenkomst heeft gesloten inzake een goed dat deels wel deels niet voor beroepsmatig gebruik is bestemd, zich niet kan beroepen op de bescherming van artikel 17 Brussel Pro I bis-Vo. Dat is alleen anders als het beroepsmatige gebruik dermate marginaal is dat het in de globale context van de verrichting onbetekenend/verwaarloosbaar (“negligible”) is. Dat het niet-beroepsmatige aspect zwaarder weegt is niet relevant, zo overwoog het Hof in het arrest
Gruber/Bay Wa(HvJ EG 20 januari 2005, C-464/01, ECLI:EU:C:2005:32, NJ 2006/278
).Voor het aannemen van een consumentenkoop in de zin van artikel 7:5 BW Pro ligt dat net anders: bij gemengde overeenkomsten, waar een overeenkomst wordt gesloten voor doeleinden die deels binnen en deels buiten de handelsactiviteit van de persoon liggen en het handelsoogmerk zo beperkt is dat het binnen de globale context van de overeenkomst niet overheerst, dient die persoon als consument te worden aangemerkt (aldus overweging 17 van de considerans van de Richtlijn 2011/83/EU inzake consumentenrechten waarnaar in de wetsgeschiedenis bij de Nederlandse (implementatie)regeling wordt verwezen: Kamerstukken II 2012-2013, 33520, nr. 3 (MvT)). Het gaat bij de beoordeling in deze Nederlandse zaak dus niet alleen om andere materie, maar ook om een ander, consumentvriendelijker criterium dan in de Oostenrijkse procedures.