Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant] ,2. [appellante] ,beiden wonende te [woonplaats] ,
5.Het verloop van de procedure in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep van 22 maart 2021;
- het tussenarrest van 25 mei 2021 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast;
- het H12-formulier van [appellanten] . van 5 juli 2021 met producties 77 en 78;
- het H12-formulier van Stille Wille van 9 juli 2021 met producties 1 en 2;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 13 juli 2021;
- de door [appellanten] . genomen memorie van grieven, tevens houdende een wijziging van eis, met productie 79;
- de door Stille Wille genomen memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep;
- de door [appellanten] . genomen memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;
- de door Stille Wille genomen akte;
- de door [appellanten] . genomen antwoordakte.
6.De beoordeling in principaal en incidenteel hoger beroep
- a. Stille Wille is eigenaar van bungalowpark De Stille Wille te [vestigingsplaats] .
- b. Stille Wille heeft bij akte van 7 augustus 2001 (hierna: de erfpachtakte) aan [appellanten] . een recht van erfpacht en een daarvan afhankelijk recht van opstal verleend op het perceel plaatselijk bekend als [adres] voor de periode tot 31 december 2035.
- c. Conform de erfpachtakte is op het perceel in opdracht en voor rekening van [appellanten] . een recreatiebungalow gebouwd. Bij de genoemde notariële akte van 7 augustus 2001 heeft [appellanten] . de eigendom van de bungalow verworven.
- d. [appellanten] . heeft ten behoeve van de realisering van de bungalow op 7 augustus 2001 een hypothecaire geldlening ten bedrage van € 131.596,26 afgesloten bij de Postbank N.V. (hierna: Postbank). Aan de Postbank is het recht van eerste hypotheek verleend op het recht van erfpacht en het daarvan afhankelijke recht van opstal. De Postbank is op enig moment opgegaan in ING Bank N.V. (hierna: ING).
- e. Op grond van artikel l lid 5 van de erfpachtakte bedraagt de jaarlijkse canon voor het gebruik van de grond fl. 3.649,38 per jaar (omgerekend en afgerond € 1.656,00), welk bedrag bij vooruitbetaling in de maand januari van elk jaar dient te worden voldaan. De canon wordt volgens artikel 1 lid 6 van Pro de erfpachtakte jaarlijks geïndexeerd.
- f. In de erfpachtakte zijn Algemene Bepalingen van Stille Wille van toepassing verklaard. Op grond van de artikelen 8 en 15 van deze Algemene Bepalingen dient de erfpachter tegelijk met de canon de vaste servicekosten te betalen, waaronder kosten van onderhoud en schoonhouden, alsmede de kosten van de huur van de water- en gasmeter en de gebruikskosten van water en gas (verder: de servicekosten).
- g. Stille Wille heeft op 24 december 2008 de besloten vennootschap Bungalowpark “De Stille Wille” [vestigingsplaats] Exploitatie B.V. opgericht. Deze B.V. hield zich vanaf dat moment bezig met de exploitatie van het park.
- h. Bij brief van 6 december 2010 heeft Stille Wille aan haar erfpachters bericht dat de jaarlijkse canon en de jaarlijkse servicekosten voortaan gesplitst in de boekhouding zouden worden geboekt en dat daartoe vanaf 1 januari 2011 verschillende bankrekeningen zouden worden gebruikt. De erfpachters hebben vanaf dat moment twee jaarnota’s gekregen: één met de erfpachtcanon en één met de servicekosten.
- i. [appellanten] . heeft de bungalow zelf bewoond tot 2012 en woont sindsdien elders. Ten tijde van het geding bij de rechtbank verbleef op zijn verzoek [persoon A] in de bungalow.
- j. Stille Wille heeft betalingsherinneringen overgelegd over de jaren 2007, 2010, 2011 (diverse), 2012 (diverse), 2013, 2014 en 2015 (diverse) en tevens diverse
- k. Stille Wille heeft aangetekende brieven van 18 december 2015 aan zowel [appellanten] . als aan de Postbank overgelegd waarin zij [appellanten] . en de Postbank als (toenmalig) hypotheekhouder nog twee weken de tijd heeft gegeven de achterstallige canons over de jaren 2013 tot en met 2015 van – inclusief rente in totaal – € 6.826,47 te voldoen, bij niet voldoening waarvan Stille Wille de erfpacht en opstal zou opzeggen.
- l. Bij exploot van 28 januari 2016 heeft Stille Wille het recht van erfpacht en opstal van het perceel aan de [adres] met inachtneming van een opzegtermijn van een maand aan [appellanten] . opgezegd tegen 1 maart 2016, wegens 3 jaar canonachterstand. Stille Wille heeft de opzegging bij exploot van 29 januari 2016 aan ING laten betekenen. ING heeft ter zake op 8 februari 2016 een ontvangstbevestiging gestuurd.
- m. ING heeft vervolgens haar pandrecht als bedoeld in artikel 3:229 BW Pro ingeroepen. Bij e-mail van 28 november 2016 heeft de advocaat van ING aan Stille Wille onder meer het volgende geschreven:
- n. Stille Wille heeft op het in de e-mail van 28 november 2016 genoemde bedrag van € 70.000,-- een bedrag van € 27.047,-- in mindering gebracht, zijnde het bedrag dat [appellanten] . volgens Stille Wille nog verschuldigd was in verband met de erfpachtovereenkomst. Het restant van € 42.953,-- heeft Stille Wille aan ING betaald. ING heeft daarna haar hypotheekrecht in de registers van het kadaster doorgehaald.
- o. Bij exploot van 15 december 2016 heeft Stille Wille de opzegging notarieel in de registers van het kadaster laten inschrijven. Op diezelfde dag is ten behoeve van [persoon B] (hierna: [persoon B] ) op voormeld perceel een recht van erfpacht en opstal gevestigd tot 31 december 2035 voor een canon van € 2.214,03 per jaar. Voor de opstal heeft [persoon B] € 70.000,00 aan Stille Wille betaald.
- p. Bij brief van 7 februari 2017 aan Stille Wille heeft [appellanten] . een beroep gedaan op nietigheid van de opzegging, dan wel de opzegging buitengerechtelijk vernietigd, dan wel aangevoerd dat er met betrekking tot de opzegging sprake is van misbruik van bevoegdheid en dat er in strijd met de redelijkheid en billijkheid is gehandeld. [appellanten] . heeft Stille Wille tevens aansprakelijk gesteld voor alle geleden en nog te lijden schade. Bij brief van diezelfde datum aan [persoon B] heeft [appellanten] . [persoon B] verzocht om vrijwillig afstand te doen van de bungalow.
- q. Bij e-mail van 24 juli 2017 heeft ING aan de advocaat van [appellanten] . onder meer het volgende meegedeeld:
- De vorderingen I tot en met IV strekken tot het terugdraaien van de opzegging van het recht van erfpacht, zodat aan [appellanten] . onverminderd het recht van erfpacht toekomt.
- Vordering V strekt tot vernietiging van artikel 18 onder Pro e van de Algemene Bepalingen.
- Vordering VI strekt tot veroordeling van Stille Wille tot afgifte van een overzicht van alle betalingen die [appellanten] . aan Stille Wille alsmede aan Stille Wille [locatie] Exploitatie B.V. heeft gedaan.
- Met de vorderingen VII tot en met XIII wil [appellanten] . bereiken dat Stille Wille haar boeken en de boeken van Stille Wille [locatie] Exploitatie B.V. opent om zo het netto inkooptarief van het gas vanaf boekjaar 2013 boven tafel te krijgen.
- XIV: een verklaring voor recht dat Stille Wille ter zake de verkoopopdracht van [appellanten] . toerekenbaar tekort is geschoten althans onrechtmatig heeft gehandeld en daarom aansprakelijk is voor de door [appellanten] . geleden schade;
- XV: een verklaring voor recht dat aan [appellanten] . een waardevergoeding toekomt, onder meer als bedoeld in artikel 5:87 lid 2 BW Pro, vermeerderd met wettelijke rente;
- XVI: veroordeling van Stille Wille tot betaling van € 271.500,-- (in het tussenvonnis staat ten onrechte € 141.000,--) vermeerderd met wettelijke rente.
- [appellanten] . heeft onvoldoende onderbouwd dat hij de erfpachtcanon over de jaren 2013, 2014 en 2015 (contant) heeft betaald (rov. 4.5).
- De door [appellanten] . genoemde vormvereisten uit de Algemene Bepalingen tasten de geldigheid van de opzegging van het recht van erfpacht niet aan (rov. 4.6).
- Dat Stille Wille na de opzegging van het recht van erfpacht nog een (achterstallige) betaling in ontvangst heeft genomen, brengt niet mee dat Stille Wille de opzegging van het recht erfpacht heeft herroepen (rov. 4.7).
- Het beroep van [appellanten] . op opschorting van zijn betalingsverplichtingen treft geen doel (rov. 4.8).
- De opzegging van het recht van erfpacht is niet onrechtmatig, levert geen misbruik van bevoegdheid op en is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (rov. 4.8.1).
- De vorderingen I tot en met IV zijn daarom niet toewijsbaar.
- Vordering V tot nietigverklaring van artikel 18 onder Pro e van de Algemene Bepalingen is niet toewijsbaar (rov. 4.10).
- Bij vordering VI heeft [appellanten] . geen belang omdat hij zelf bijgewerkte overzichten van Stille Wille terzake de door [appellanten] . gedane betalingen heeft overgelegd. Deze vordering moet dus worden afgewezen (rov. 4.12).
- De vorderingen VII tot en met XIII zijn om meerdere redenen niet toewijsbaar.
- [appellanten] . hebben onvoldoende duidelijk gemaakt dat sprake was van een overeenkomst van opdracht tussen [appellanten] . en Stille Wille ter zake verkoop van de bungalow van [appellanten] . Er kan dus niet worden vastgesteld dat Stille Wille ter zake een dergelijke overeenkomst tekortgeschoten is of onrechtmatig heeft gehandeld. Vordering XIV moet dus worden afgewezen (rov. 4.17).
- Vordering XV is in die zin toewijsbaar dat voor recht verklaard moet worden dat aan [appellanten] . een waardevergoeding toekomt zoals bedoeld in artikel 5:87 lid 2 BW Pro, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 december 2016, en dat Stille Wille deze aan [appellanten] . is verschuldigd voor zover deze een bedrag van € 70.000,-- (dat Stille Wille al bevrijdend aan ING heeft betaald) te boven gaat. (rov. 4.19 tot en met 4.21).
- De rechtbank heeft behoefte aan voorlichting door een deskundige over de vraag naar de waarde die het recht van erfpacht had toen het op 1 maart 2016 eindigde. De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen om zich over het voorgenomen deskundigenbericht uit te laten (rov. 4.23 tot en met 4.25).
- a. Welk bedrag zou een derde op 1 maart 2016 over hebben voor een erfpachtrecht op de grond en de daarop gevestigde opstallen, rekening houdende met de volgende omstandigheden:
- de resterende duur van het erfpachtrecht (tot 31 december 2035);
- de op het erfpachtrecht toepasselijke voorwaarden (waaronder doch niet uitsluitend de hoogte van de canon en servicekosten, alsmede de bestemming);
- het feit dat de derde krachtens artikel 5:99 BW Pro na het einde van de erfpacht recht zou hebben op vergoeding van de waarde van de aanwezige opstallen;
- de courantheid van het object en de stand van de (recreatie)vastgoedmarkt ten tijde van het einde van het recht van erfpacht (op 1 maart 2016);
- het feit dat het perceel (en de zich daarop bevindende opstallen) sinds 2014 verhuurd is, althans in gebruik is gegeven aan een derde;
- b. Welke berekeningsmethode hebt u bij de waardering gehanteerd en kunt u de keuze daarvoor toelichten?
- c. Heeft u voor het overige nog opmerkingen waarvan u het zinvol acht dat de rechtbank daarvan kennis neemt?
- De motivering van het deskundigenbericht komt overtuigend over. De rechtbank neemt daarom de conclusies van het deskundigenbericht over (rov. 2.6).
- Het verweer van Stille Wille dat zij niet bevrijdend aan [appellanten] . kan betalen gaat niet op omdat het pandrecht van ING op de voet van artikel 3:81 lid 2 onder Pro a BW teniet is gegaan (rov. 2.7).
- De door [appellanten] . onder XV gevorderde verklaring voor recht en onder XVI gevorderde veroordeling van Stille Wille tot betaling zijn dus toewijsbaar (rov. 2.8).
- De vordering van [appellanten] . ter zake buitengerechtelijke kosten (hof: vordering XVII) is niet toewijsbaar (rov. 2.9).
- Ter zake beslagkosten is € 2.501,41 toewijsbaar (rov. 2.10).
- Stille Wille moet als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld (rov. 2.11).
- voor recht verklaard dat aan [appellanten] . een waardevergoeding toekomt (w.o. medebegrepen zoals bedoeld in artikel 5:87 lid 2 BW Pro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 december 2016 en dat Stille Wille deze aan [appellanten] . is verschuldigd;
- Stille Wille hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 16.000,-- aan [appellanten] . (naar het hof begrijpt: het door de deskundige genoemde bedrag van € 86.000,-- verminderd met het bedrag van € 70.000,-- dat genoemd is in de overwegingen 2.9 en 4.19 van het tussenvonnis van 13 maart 2019), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 december 2016;
- Stille Wille hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de beslagkosten aan [appellanten] ., tot op de datum van het vonnis begroot op € 2.501,41, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na betekening van het vonnis;
- Stille Wille hoofdelijk in de proceskosten (inclusief nakosten) veroordeeld, vermeerderd met wettelijke rente;
- het meer of anders gevorderde afgewezen.
- I. een verklaring voor recht dat de opzegging van de erfpacht bij het exploot van 28 januari 2016 nietig is, dan wel vernietiging van de opzegging, dan wel te verklaren voor recht dat de opzegging onrechtmatig is, misbruik van bevoegdheid oplevert, of dat het beroep van Stille Wille op de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is;
- II. een verklaring voor recht dat Stille Wille aansprakelijk is voor de door [appellanten] . door de opzegging geleden schade;
- III. veroordeling van Stille Wille om een door een registeraccountant goedgekeurd overzicht van alle door [appellanten] . aan Stille Wille en aan Stille Wille [vestigingsplaats] Exploitatie B.V. gedane betalingen aan [appellanten] . te verstrekken;
- IV. een verklaring voor recht dat Stille Wille toerekenbaar tekortgeschoten is althans onrechtmatig heeft gehandeld ter zake de door [appellanten] . aan Stille Wille gegeven verkoopopdracht, en aansprakelijk is voor de daardoor door [appellanten] . geleden schade;
- V. Stille Wille in verband met het onder I, II en IV gevorderde te veroordelen tot betaling van schadevergoeding aan [appellanten] ., op te maken bij staat;
- VI. Stille Wille te bevelen over te gaan tot herberekening van de jaarrekeningen van gas en water over de periode vanaf 1 oktober 2012 tot en met 15 december 2016 overeenkomstig de door [appellanten] . gestelde uitgangspunten;
- VII. Stille Wille te veroordelen tot betaling van de gelet op de herberekeningen door [appellanten] . te veel betaalde bedragen, vermeerderd met wettelijke rente;
- VIII. een verklaring voor recht dat aan [appellanten] . een waardevergoeding toekomt onder meer zoals bedoeld in artikel 5:87 lid 2 en Pro artikel 5:99 in Pro verband met artikel 5:105 lid 2 BW Pro, vermeerderd met wettelijke rente, en dat Stille Wille die vergoeding aan [appellanten] . verschuldigd is;
- IX. veroordeling van Stille Wille om in verband met het onder VIII gevorderde € 271.500,-- aan [appellanten] . te betalen, vermeerderd met wettelijke rente;
- X. een verklaring voor recht dat Stille Wille ten onrechte € 27.047,-- heeft ingehouden op de door haar verschuldigde waardevergoeding, met veroordeling van Stille Wille om het ten onrechte ingehouden bedrag aan [appellanten] . te voldoen, vermeerderd met wettelijke rente;
- XI. een verklaring voor recht dat het door [appellanten] . op 16 december 2016 contant aan Stille Wille betaalde bedrag van € 2.000,-- onverschuldigd is betaald, met veroordeling van Stille Wille tot terugbetaling van dit bedrag, vermeerderd met wettelijke rente;
- XII. veroordeling van Stille Wille in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.
- de grieven 1A tot en met 1H zijn gericht tegen het tussenvonnis van 13 maart 2019;
- de grieven 2A en 2B zijn eveneens gericht tegen het tussenvonnis van 13 maart 2019;
- de grieven 3A en 3B zijn gericht tegen het tussenvonnis van 21 augustus 2019 en, naar het hof begrijpt, tegen het eindvonnis van 30 december 2019;
- de grieven 4A tot en met 4C zijn gericht tegen het eindvonnis van 30 december 2020;
- grief V is gericht tegen de gedeeltelijke afwijzing van de vorderingen van [appellanten] . in het eindvonnis van 30 december 2020.
- afwijzing van de vorderingen van [appellanten] .;
- bekrachtiging van de beroepen vonnissen
- Stille Wille te bevelen over te gaan tot herberekening van de jaarrekeningen van gas en water over de periode vanaf 1 oktober 2012 tot en met 15 december 2016 overeenkomstig de door [appellanten] . gestelde uitgangspunten;
- Stille Wille te veroordelen tot betaling van de gelet op de herberekeningen door [appellanten] . te veel betaalde bedragen, vermeerderd met wettelijke rente.
“onder verbetering en aanvulling van alle grieven die Stille Wille in incidenteel appèl tegen deze vonnissen heeft ontwikkeld”.
- voor recht is verklaard dat aan [appellanten] . een waardevergoeding toekomt (w.o. medebegrepen zoals bedoeld in artikel 5:87 lid 2 BW Pro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 december 2016 en dat Stille Wille deze aan [appellanten] . is verschuldigd;
- Stille Wille hoofdelijk is veroordeeld tot betaling van € 16.000,-- aan [appellanten] ., te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 december 2016.
“als pandgever acties ondernemen richting Stille Wille, indien zij bezwaren heeft tegen de opzegging van het recht van erfpacht en/of de hoogte van de vergoeding ex onder meer artikel 5:87 BW Pro. (…)”
- a. de door [appellanten] . gestelde omstandigheid dat Stille Wille herhaaldelijk bij gelegenheid van de verkoop van bungalows de duur van de erfpachtovereenkomst openbrak en vrijwillig verlengde;
- b. de door [appellanten] . gestelde omstandigheid dat Stille Wille vanaf 2013 toezeggingen heeft gedaan om erfpacht voor onbepaalde tijd aan te bieden.
“dat het perceel (en de zich daarop bevindende opstallen) sinds 2014 verhuurd is,althans in gebruik is gegeven aan een derde”. Uit het rapport van de deskundige (blz. 27 bovenaan) blijkt dat de deskundige de waarde van het recht van erfpacht op 1 maart 2016 vrij van huur en gebruik heeft geschat op € 90.000,--, en daarop vervolgens vanwege de tijdelijke verhuur een aftrek heeft toegepast van 5%, zodat de waarde is geschat op € 86.000,-- (blz. 29 onderaan). Het hof ziet in hetgeen [appellanten] . in de toelichting op zijn grief heeft aangevoerd, onvoldoende aanknopingspunten om deze schatting onjuist te achten. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat tussen partijen vast staat dat [appellanten] . als sinds 2012 niet meer zelf in zijn bungalow woont. Stille Wille heeft onder meer in haar conclusie na deskundigenbericht uiteengezet dat [appellanten] . de heer Hendrikse met zijn jonge dochter in de bungalow heeft laten wonen en dat de heer Hendrikse de bungalow uiteindelijk pas in november 2019 heeft verlaten. [appellanten] . heeft een en ander niet betwist. Naar het oordeel van het hof heeft [appellanten] . onvoldoende betwist dat tegenover die bewoning een tegenprestatie stond en dat dus van huur sprake was. Hendrikse heeft ook geweigerd om het perceel met opstal eind 2016 te verlaten toen [persoon B] de nieuwe erfpachter en eigenaar van de opstal werd. Bij deze stand van zaken acht het hof de door de deskundige toegepaste en door de rechtbank overgenomen aftrek niet onjuist. Het hof verwerpt daarom grief 3B.
- grief 4B in principaal hoger beroep over de vraag welk bedrag Stille Wille op grond van artikel 5:87 lid 2 BW Pro op de waardevergoeding mocht inhouden;
- grief 3 in incidenteel hoger beroep over het beroep van Stille Wille op verrekening van haar uit artikel 5:87 lid 2 voortvloeiende Pro betalingsverplichting met een tegenvordering op [appellanten] .
- a. € 9.097,55 aan erfpachtcanon over de jaren 2013 tot en met 2016, inclusief rente;
- b. € 829,88 aan incassokosten;
- c. € 160,-- aan administratiekosten.
- e. € 3.141,75 ter zake notariskosten;
- f. € 251,66 aan deurwaarderskosten voor de betekening en overbetekening van de opzegging van het recht van erfpacht.
- € 2.328,54 ter zake de canon over 2013 (inclusief € 183,41 aan rente);
- € 2.293,95 ter zake de canon over 2014 (inclusief € 117,29 aan rente);
- € 2.252,32 ter zake de canon over 2015 (inclusief € 52,81 aan rente);
- € 2.222,74 ter zake de canon over 2016 (inclusief € 8,71 aan rente).
- a. € 9.097,55 aan erfpachtcanon over de jaren 2013 tot en met 2016, inclusief rente;
- b. € 829,88 aan incassokosten;
- c. € 160,-- aan administratiekosten;
- e. (€ 3.141,75 - € 1.915,-- =) € 1.226,75 ter zake notariskosten;
- f. € 251,66 aan deurwaarderskosten voor de betekening en overbetekening van de opzegging van het recht van erfpacht.
- canon over 2017: € 2.222,88;
- canon over 2018: € 2.252,66;
- canon over 2019: € 2.299,96;
- canon over 2020: € 2.362,52.
- € 16.000,-- (de door de deskundige vastgestelde waarde van het recht van erfpacht op de peildatum van € 86.000,--, verminderd met de waarde van € 70.000,-- die Stille Wille al met ING heeft verrekend);
- € 15.481,16 ter zake het door Stille Wille bij de afrekening met ING te veel ingehouden bedrag, waardoor de restschuld van [appellanten] . ten onrechte hoger is gebleven;
- I. de opzegging van de erfpacht bij het exploot van 28 januari 2016 nietig is, dan wel vernietiging van de opzegging, dan wel te verklaren voor recht dat de opzegging onrechtmatig is, misbruik van bevoegdheid oplevert, of dat het beroep van Stille Wille op de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is;
- II. dat Stille Wille aansprakelijk is voor de door [appellanten] . door de opzegging geleden schade.
7.De uitspraak
- verklaart voor recht dat aan [appellanten] . een waardevergoeding toekomt zoals bedoeld in artikel 5:87 lid 2 in Pro verband met artikel 5:99 lid 1 BW Pro, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro daarover vanaf 16 december 2016, en dat Stille Wille die vergoeding aan [appellanten] . verschuldigd is, met dien verstande dat Stille Wille de betreffende vergoeding slechts verschuldigd is voor zover zij de vergoeding niet reeds rechtsgeldig aan ING heeft voldaan (vordering VIII, rov. 6.8.10);
- verklaart voor recht dat Stille Wille ten onrechte € 15.481,16 te veel (namelijk € 27.047,-- in plaats van € 11.565,84) heeft ingehouden op de waarde-vergoeding van € 70.000,--, alvorens het restant uit te keren aan ING (vordering X, rov. 6.10.20);
- veroordeelt Stille Wille tot betaling van € 26.705,66 aan [appellanten] ., vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf 16 december 2016 (vordering IX, rov. 6.13.2);
- veroordeelt Stille Wille tot betaling van de beslagkosten aan [appellanten] ., tot op de datum van het beroepen vonnis van 30 december 2020 begroot op € 2.501,41, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dat vonnis;
- compenseert de proceskosten van het geding in eerste aanleg tussen partijen, aldus dat elke partij de eigen proceskosten moet dragen;
- veroordeelt [appellanten] . om ter zake de helft van de door Stille Wille gedragen deskundigenkosten € 5.082,--, aan Stille Wille te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de veertiende dag na de datum van dit arrest;