Het gerechtshof 's-Hertogenbosch behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant inzake een ontnemingsvordering van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van €67.642,72. De rechtbank had een betalingsverplichting opgelegd van €64.260,58. De betrokkene voerde verweer tegen de omvang van het vastgestelde voordeel en verzocht om nader onderzoek naar vermeende geldleningen en investeringen.
Het hof wees de verzoeken tot nader onderzoek af, omdat eerder was vastgesteld dat sprake was van fictieve overeenkomsten en er geen nieuwe feiten waren die aanleiding gaven tot heroverweging. Ook het verzoek tot matiging van de kosten van levensonderhoud werd verworpen omdat de verklaringen van de ouders onvoldoende waren om af te wijken van andere getuigenverklaringen.
De redelijke termijn voor het nemen van een beslissing over de ontnemingsvordering was in eerste aanleg overschreden met ruim drie jaar. Het hof matigde daarom de betalingsverplichting met 10%, waardoor het bedrag werd vastgesteld op €60.878,-. Tevens bepaalde het hof de maximale duur van de gijzeling op 1.080 dagen, conform de wettelijke richtlijnen.
Het hof vernietigde het vonnis waarvan beroep voor zover het de betalingsverplichting en de duur van de gijzeling betrof, en deed opnieuw recht door de betalingsverplichting te matigen en de gijzelingstermijn vast te stellen. Voor het overige bevestigde het hof het vonnis van de rechtbank.