Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- mr. Kolmans, namens de rechthebbende;
- de bewindvoerder, vertegenwoordigd door [betrokkene] .
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De zaak betreft het hoger beroep van de rechthebbende tegen de verlenging van zijn onderbewindstelling door de rechtbank Oost-Brabant. De onderbewindstelling was ingesteld wegens verkwisting en problematische schulden en was reeds meerdere malen verlengd. De rechthebbende betoogde dat hij inmiddels voldoende zelfredzaam is en dat het bewind moet eindigen.
Tijdens de mondelinge behandeling werd duidelijk dat de schuldenlast is toegenomen door boetes van het CJIB en dat de rechthebbende moeite heeft met het nakomen van afspraken en het zelfstandig beheren van zijn financiën. De bewindvoerder gaf aan dat het leefgeld vaker en in kleinere bedragen wordt verstrekt vanwege het snelle opmaken ervan. De rechthebbende is niet verschenen op de zitting.
Het hof oordeelt dat de onderbewindstelling terecht is verlengd op grond van artikel 1:431 lid 1 sub b BW Pro, omdat de rechthebbende nog niet in staat is zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Het hof wijst het primaire verzoek tot beëindiging en het subsidiaire verzoek tot verkorting van de termijn af, maar neemt kennis van de toezegging dat het bewind kan worden opgeheven zodra de rechthebbende daartoe in staat is.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de verlenging van de onderbewindstelling tot 19 februari 2025 en wijst het verzoek tot beëindiging af.