AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Huurrecht voormalige echtelijke woning toegekend aan man na echtscheiding
Partijen zijn onlangs gescheiden en betwistten wie het huurrecht van de voormalige echtelijke woning zou krijgen. De rechtbank had het huurrecht aan de man toegekend, wat de vrouw aanvocht in hoger beroep.
De vrouw stelde dat zij meer belang had bij het huurrecht vanwege haar beperkte woonmogelijkheden en gebrek aan sociaal netwerk, terwijl de man al vijftig jaar in de buurt woont en gezondheidsproblemen heeft. De man betwistte het formulier gedeeltelijke huuropzegging en benadrukte zijn sterke binding met de woning en omgeving.
Het hof oordeelde dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en Nederlands recht van toepassing is. Op grond van artikel 827 lid 1 sub f RvPro en artikel 7:266 lid 5 BWPro moet het huurrecht worden toegekend aan de echtgenoot met het zwaardere belang. Het hof vond het belang van de man zwaarder wegen vanwege zijn langdurige woonplaats, sociale netwerk, leeftijd en gezondheidsproblemen.
Hoewel de vrouw niet zonder meer in aanmerking komt voor urgentie, acht het hof het aannemelijk dat zij met hulp van instanties tijdelijk opvang kan vinden en daarna een andere woning. De beschikking van de rechtbank wordt bekrachtigd en het verzoek van de vrouw wordt afgewezen. Proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de vrouw af en bekrachtigt de toekenning van het huurrecht aan de man.
Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 7 december 2023
Zaaknummer: 200.329.613/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/01/386844 / FA RK 22-4716
in de zaak in hoger beroep van:
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M. Kocuroğlu,
tegen
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. H. Sanli.
De zaak in het kort:
Partijen zijn onlangs gescheiden en de vrouw is het niet eens met de beslissing van de rechtbank dat het huurrecht van de voormalige echtelijke woning toekomt aan de man.
1.Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 8 juni 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2.Het geding in hoger beroep
2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen bij de griffie van het hof op 12 juli 2023, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft het huurrecht van de echtelijke woning en opnieuw rechtdoende het verzoek van de man tot toewijzing van het huurrecht van de echtelijke woning aan hem alsnog af te wijzen en te bepalen dat de vrouw huurster zal zijn van de echtelijke woning gelegen aan [adres] te [woonplaats] .
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen bij de griffie van het hof op 11 augustus 2023, heeft de man verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar hoger beroep dan wel alle verzoeken van de vrouw af te wijzen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 november 2023. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
de vrouw, bijgestaan door mr. Kocuroğlu en een tolk;
de man, bijgestaan door mr. Sanli en een tolk.
2.4.
Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van:
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 11 mei 2023;
de brief met bijlagen 5-9 van de advocaat van de vrouw van 19 oktober 2023.
3.De beoordeling
De feiten
3.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op 27 november 2014 te [plaats], Turkije. De man
heeft de Nederlandse en de Turkse nationaliteit. De vrouw heeft de Turkse nationaliteit.
3.2.
Bij beschikking van 26 oktober 2022 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan [adres] te [woonplaats] aan de vrouw toegekend.
3.3.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheiding is op 29 september 2023 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De rechtbank heeft bepaald dat de man huurder zal zijn van de voormalige echtelijke woning (hierna: de woning), met ingang van drie maanden na de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De proceskosten zijn gecompenseerd en het meer of anders verzochte is afgewezen.
3.4.
De vrouw kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
Standpunten partijen
3.5.
De vrouw voert – samengevat – aan dat de man in de gelegenheid is om op korte termijn een andere woning in de buurt te verwerven, terwijl dat voor haar niet mogelijk is omdat zij pas sinds 4 januari 2023 staat ingeschreven als woningzoekende en hoogstwaarschijnlijk niet in aanmerking komt voor een urgentieverklaring. De vrouw wijst op het door haar overgelegde formulier gedeeltelijke huuropzegging (productie 5 bij haar hoger beroepschrift) waaruit volgt dat de man een andere woning toegewezen heeft gekregen en welk formulier de vrouw op verzoek van één van de kinderen van de man heeft ondertekend kort voordat de echtscheidingsbeschikking is ontvangen. De vrouw heeft meer belang bij verkrijging van het huurrecht van de woning dan de man. Zij heeft in Nederland geen familie of vrienden waarop zij kan terugvallen, zij spreekt de Nederlandse taal niet en kent alleen de straat/buurt waar zij tot nu toe heeft gewoond. Een verhuizing levert aan de zijde van de vrouw een schrijnende situatie op en de rechtbank heeft dan ook ten onrechte bepaald dat het huurrecht van de woning toekomt aan de man.
3.6.
De man voert – samengevat – aan dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat zijn belang bij verkrijging van het huurrecht van de woning zwaarder weegt dan het belang van de vrouw. Hij woont al vijftig jaren in dezelfde straat, de vier kinderen uit zijn eerder huwelijk zijn daar geboren en zijn eerste echtgenote is er destijds overleden. Drie van de vier kinderen van de man wonen nog in de buurt en de man gaat regelmatig met buurtbewoners thee drinken in het buurthuis. De man heeft gezondheidsproblemen, maar is zelfredzaam. Een verhuizing zal hier afbreuk aan doen. De man benadrukt tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep dat hij gewend is aan de woning en dat hij deze niet gaat verlaten. Hij wil er sterven, net als zijn eerste echtgenote. De man betwist dat hij een formulier gedeeltelijke huuropzegging heeft getekend en hij is er niet mee bekend dat één van de kinderen de vrouw heeft gevraagd het formulier te tekenen. De man voert verder aan dat hij en de vrouw tot op heden samen in de woning wonen, maar dat deze situatie niet langer houdbaar is. De vrouw heeft tot op heden geen enkele actie ondernomen om vervangende woonruimte te vinden. Zij heeft geen urgentieaanvraag ingediend en er is nog steeds geen duidelijkheid over haar bijstandsuitkering. De vrouw maakt niet inzichtelijk waarom dit zo lang duurt en de man vraagt zich af waar de vrouw de huur van zou gaan betalen als zij het huurrecht van de woning zou verkrijgen. De vrouw heeft geen enkele binding met [woonplaats] en het is het meest logisch dat zij gaat verhuizen. Daarnaast is de man nog steeds van oordeel dat de vrouw beter af is in Turkije, waar de vrouw diverse meerderjarige kinderen heeft waar zij haar intrek kan nemen.
Oordeel hof
3.7.
Het hof overweegt het volgende.
3.7.1.
Het internationale karakter van de zaak vraagt om een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek en weging overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft.
3.7.2.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord welk recht moet worden toegepast. De rechtbank is uitgegaan van de toepasselijkheid van Nederlands recht. Daartegen zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof Nederlands recht zal toepassen.
3.7.3.
Op grond van artikel 827 lid 1 sub f vanPro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in samenhang met artikel 7:266 lid 5 vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van een echtgenoot bepalen wie van de echtgenoten huurder van de woonruimte zal zijn. De beantwoording van de vraag aan wie van partijen het huurrecht van de woning dient te worden toegekend, vindt plaats aan de hand van een afweging van de belangen van zowel de vrouw als de man bij toekenning van dit huurrecht. Bij die belangenafweging moet de rechter volgens vaste rechtspraak alle omstandigheden betrekken die in dit verband door partijen zijn aangevoerd.
3.7.4.
Het hof is, evenals de rechtbank en op de dezelfde gronden als de rechtbank die het hof na eigen onderzoek en afweging overneemt en tot de zijne maakt, van oordeel dat het belang van de man bij verkrijging van het huurrecht van de woning zwaarder dient te wegen dan het belang van de vrouw. In aanvulling daarop overweegt het hof het volgende.
De man woont al zeer lange tijd in de straat waar de woning staat en ook zijn kinderen wonen daar in de omgeving. De man is, mede gelet op zijn hoge leeftijd en lichamelijke gezondheidsproblemen, beperkt in zijn mobiliteit en zijn sociale leven speelt zich af rondom de woning en in het nabijgelegen buurthuis. De man is zelfredzaam, maar aannemelijk is dat een verhuizing zijn zelfredzaamheid zal verminderen. Voor het hof staat wel voldoende vast dat de man betrekkelijk sneller dan de vrouw over een andere woning zou kunnen beschikken, maar dit is voor het hof niet doorslaggevend. Zoals hiervoor is overwogen, heeft de man emotioneel en sociaal meer binding met de woning dan de vrouw. Het hof neemt van de vrouw aan dat zij op dit moment niet zonder meer in aanmerking komt voor een urgentieverklaring, maar het hof gaat er wel vanuit dat met de hulp van de inmiddels ingeschakelde instanties de vrouw terecht kan bij een tijdelijke opvang en vanuit daar naar een andere woning kan verhuizen.
3.7.5.
Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en het verzoek van de vrouw om alsnog te bepalen dat zij huurster zal zijn van de echtelijke woning afwijzen.
3.7.6.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.
4.De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, van 8 juni 2023, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink, H. van Winkel en
A.M. van Riemsdijk en is in het openbaar uitgesproken op 7 december 2023 in tegenwoordigheid van de griffier.