De zaak betreft een hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarin een machtiging tot uithuisplaatsing van haar kinderen bij de vader werd verleend. De moeder betwistte onder meer de procedurele gang van zaken en de noodzaak van de uithuisplaatsing. Het hof overweegt dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en dat het internationale karakter van de zaak geen beletsel vormt.
De moeder heeft het beroep tegen de beschikking van 27 juli 2023 ingetrokken en richt zich alleen tegen de machtiging tot uithuisplaatsing van 1 augustus 2023. Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank over en concludeert dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij de kinderen en dat de machtiging tot uithuisplaatsing terecht is verleend en nog steeds noodzakelijk is. De moeder erkent de acute zorgen niet en weigert effectieve hulpverlening, waardoor de situatie niet is verbeterd.
Het hof benadrukt het belang van spoedige hulpverlening en verwacht dat de moeder zal meewerken aan de Intensieve Pedagogische Thuishulp (IPT). De moeder heeft in hoger beroep voldoende gelegenheid gehad haar standpunten kenbaar te maken, waardoor eventuele eerdere procedurefouten zijn hersteld. Het hof verklaart het beroep niet ontvankelijk en bekrachtigt de beschikking tot uithuisplaatsing.