Deze zaak betreft het hoger beroep in een ontnemingszaak tegen een verdachte waarbij het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel eerder door het hof was vastgesteld op €538.175,80. De Hoge Raad vernietigde het eerdere arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de opgelegde betalingsverplichting en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling.
Tijdens de terechtzitting op 12 oktober 2023 heeft het hof kennisgenomen van de standpunten van de advocaat-generaal en de verdediging. De advocaat-generaal vorderde een matiging van de betalingsverplichting met €10.000,-, terwijl de verdediging primair verzocht de betalingsverplichting op nihil vast te stellen en subsidiair een matiging van 20% te verkrijgen.
Het hof oordeelt dat de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg een matiging van 10% op de betalingsverplichting rechtvaardigt, conform het eerdere oordeel van het hof dat door de Hoge Raad werd bevestigd. Voor de cassatie- en terugwijzingsfase is geen termijnoverschrijding vastgesteld. De betalingsverplichting wordt derhalve vastgesteld op €484.358,22, zijnde 90% van het eerder vastgestelde bedrag.
Daarnaast bepaalt het hof de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen, conform de geldende wettelijke voorschriften. Het vonnis van het hof vernietigt het eerdere vonnis voor zover het de betalingsverplichting betreft en legt de nieuwe betalingsverplichting en gijzelingstermijn op.