In deze strafzaak heeft het hof het hoger beroep van verdachte niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte was in eerste aanleg vrijgesproken van het medeplegen van het produceren van MDMA, maar veroordeeld voor medeplegen van voorbereidingshandelingen en deelneming aan een criminele organisatie. Tegen dit vonnis stelde verdachte hoger beroep in.
Het hoger beroep werd op 21 februari 2022 aangevangen met een regiezitting, maar op 5 juni 2023 trok verdachte het hoger beroep in. Het hof overwoog dat intrekking na aanvang van het onderzoek in hoger beroep in wezen niet meer mogelijk is, maar dat er nog geen inhoudelijke behandeling had plaatsgevonden. Omdat verdachte geen belang meer hechtte aan behandeling en het Openbaar Ministerie instemde met niet-ontvankelijkverklaring, besloot het hof het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
De beslissing werd genomen na zorgvuldige afweging van de procesrechtelijke regels en de belangen van partijen. Het hof benadrukte dat het belang van verdachte noch enig ander rechtens te beschermen belang gediend is met verdere behandeling van het hoger beroep. Het arrest werd uitgesproken op 8 november 2023 door de meervoudige kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch.