In deze ontnemingszaak is het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €90.096,25 door de rechtbank Limburg. De betrokkene stelde hoger beroep in tegen dit vonnis, stellende dat hij in de onderliggende strafzaak was vrijgesproken. Het hof heeft het vonnis vernietigd en het voordeel opnieuw vastgesteld op €132.018,75.
Het hof baseert zijn oordeel op een eenvoudige kasopstelling, waarbij contante uitgaven worden afgezet tegen traceerbare legale inkomsten over de periode van 13 maart 2009 tot en met 14 mei 2013. Diverse verweren van de verdediging, waaronder verklaringen van getuigen en alternatieve kasopstellingen, zijn door het hof als ongeloofwaardig verworpen wegens tegenstrijdigheden en gebrek aan onderbouwing.
Het hof neemt contante uitgaven zoals een horloge van €15.000,00 mee, ondanks vrijspraak in de hoofdzaak, omdat de ontnemingsmaatregel losstaat van het gronddelict. De legale inkomsten worden vastgesteld op €32.355,00, wat aanzienlijk lager is dan de contante uitgaven van €164.373,75.
Het hof constateert een overschrijding van de redelijke termijn in zowel eerste aanleg als hoger beroep, maar acht dit niet volledig aan de betrokkene toe te rekenen. Het opleggen van een betalingsverplichting van €132.000,00 aan de Staat wordt gecombineerd met een gijzelingstermijn van maximaal drie jaar, conform de wettelijke bepalingen.