Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[geïntimeerde sub 1] ,
5.Het verloop van de procedure
- het tussenarrest van 17 mei 2022 waarbij het hof een mondelinge behandeling na aanbrengen heeft gelast;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling na aanbrengen van 14 september 2022;
- de door Woonkwartier genomen memorie van grieven, tevens houdende een wijziging van de eis, met producties 35 tot en met 42;
- de door [geïntimeerde sub 2] genomen memorie van antwoord, tevens antwoord op de eiswijziging;
- de Rol-/Archiefkaart, waaruit blijkt dat de advocaat van [geïntimeerde sub 1] zich aan de zaak heeft onttrokken, waarna zich voor [geïntimeerde sub 1] geen nieuwe advocaat heeft gesteld;
- de door Woonkwartier genomen akte met producties 43 tot en met 45.
6.De beoordeling
- is [geïntimeerde sub 1] tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verbintenis om zijn hoofdverblijf te houden in de door hem van Woonkwartier gehuurde woning;
- heeft [geïntimeerde sub 1] de woning onderverhuurd of in gebruik gegeven aan derden;
- rechtvaardigen de tekortkomingen, waaronder ook het laten ontstaan van een huurachterstand, de ontbinding van de huurovereenkomst;
- heeft [geïntimeerde sub 1] een contractuele boete verbeurd.
- a. Woonkwartier verhuurt met ingang van 25 april 2013 aan [geïntimeerde sub 1] de sociale huurwoning aan de [adres ] te [woonplaats] , gemeente Halderberge (hierna: woning l). In artikel 2 van Pro de huurovereenkomst staat dat het gehuurde uitsluitend is bestemd om voor de huurder en de leden van zijn huishouden als woonruimte te dienen.
- b. Op deze huurovereenkomst zijn algemene huurvoorwaarden van toepassing. Hierin staat onder meer het volgende:
- c. Op enig moment is [geïntimeerde sub 2] bij [geïntimeerde sub 1] in woning 1 komen wonen, en kregen zij samen een kind.
- d. Woonkwartier verhuurt met ingang van 15 november 2017 aan [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] de sociale huurwoning aan het [adres ] te [woonplaats] , gemeente Halderberge (hierna: woning 2).
- e. Op 7 juni 2019 heeft Woonkwartier een anonieme melding ontvangen dat in woning 1 regelmatig andere mensen verblijven dan [geïntimeerde sub 1] .
- f. Op 23 juli 2019 heeft Woonkwartier een anonieme melding ontvangen dat in woning 1 andere mensen dan [geïntimeerde sub 1] wonen en dat dit gepaard gaat met veel geluidsoverlast in de avond en de nachtelijke uren.
- g. Op 30 september 2019 heeft Woonkwartier met twee omwonenden van woning 1 gesproken. Een buurvrouw heeft bij deze gelegenheid verklaard dat ze [geïntimeerde sub 1] af en toe naar de woning ziet komen, kennelijk om post op te halen, en dat er in de tussentijd verschillende mensen hebben gewoond.
- h. Op 30 januari 2020 heeft Woonkwartier een anonieme melding ontvangen dat er in woning 1 drie tot vier mensen uit Litouwen wonen en dat [geïntimeerde sub 1] er al anderhalf jaar niet meer woont.
- i. Op 18 juni 2020 hebben buitengewone opsporingsambtenaren een bezoek gebracht aan woning 1. Zij hebben geconstateerd dat de deur werd geopend door [persoon A] (hierna: [persoon A] ) en hebben aan hem enkele vragen gesteld. [persoon A] heeft bij die gelegenheid onder meer verklaard dat hij met toestemming van [geïntimeerde sub 1] in de woning woont en dat [geïntimeerde sub 1] op zijn beurt bij zijn moeder aan de [adres ] woont omdat het met moeder niet goed gaat, De ambtenaren zijn vanwege de toen geldende coronamaatregelen niet in de woning geweest.
- j. Op 28 juli 2020 hebben medewerkers van Woonkwartier onaangekondigd een bezoek gebracht aan woning 1. [persoon A] heeft de deur opengedaan en [geïntimeerde sub 1] was niet aanwezig.
- k. Op 12 augustus 2020 heeft Woonkwartier van gemeente Halderberge een overzicht ontvangen van de BRP-inschrijvingen op het adres van woning 1. Hieruit blijkt het volgende:
- [geïntimeerde sub 1] staat er sinds 4 november 2013 ingeschreven;
- [geïntimeerde sub 2] stond van 24 mei 2013 tot 21 november 2017 ingeschreven op het adres van woning 1 en staat sindsdien ingeschreven op het adres van woning 2;
- [persoon B] heeft van 4 november 2013 tot 8 maart 2016 en van 22 februari 2019 tot 13 maart 2019 op het adres van woning 1 ingeschreven gestaan;
- [persoon C] heeft er van 27 maart 2017 tot 7 juli 2017 ingeschreven gestaan;
- [persoon D] heeft er van 22 augustus 2018 tot 1 mei 2019 ingeschreven gestaan;
- [persoon E] heeft er van 22 augustus 2018 tot 1 mei 2019 ingeschreven gestaan;
- [persoon F] heeft er van 20 september 2019 tot 21 oktober 2019 ingeschreven gestaan;
- [persoon G] heeft er van 20 september 2019 tot 2 oktober 2019 ingeschreven gestaan;
- [persoon A] staat van 7 december 2018 tot heden ingeschreven op het adres van woning 1.
- l. Woonkwartier heeft op 12 augustus 2020 een telefonisch buurtonderzoek uitgevoerd ten aanzien van woning 2. Omwonenden van woning 2 hebben bij gelegenheid van dat onderzoek verklaard dat in woning 2 een gezin woont.
- m. Op 17 augustus 2020 heeft Stichting Woonkwartier samen met de afdeling Handhaving van de gemeente een bezoek gebracht aan woning 2. Hierbij hebben zij niemand aangetroffen. Zij hebben in de papiercontainer van woning 2 een poststuk aangetroffen dat geadresseerd was aan [geïntimeerde sub 1] op het adres van woning 1.
- n. Op 10 september 2020 heeft Stichting Woonkwartier een bezoek afgelegd aan woning 1. In het verslag hiervan staat, onder andere, het volgende:
- ontbinding van de huurovereenkomst tussen Woonkwartier en [geïntimeerde sub 1] met betrekking tot woning 1;
- veroordeling van [geïntimeerde sub 1] tot ontruiming van woning 1;
- veroordeling van [geïntimeerde sub 1] tot betaling van € 1.726,77 aan achterstallige huur voor woning 1, berekend tot en met augustus 2021, te vermeerderen met wettelijke rente;
- veroordeling van [geïntimeerde sub 1] tot betaling van de lopende huur voor woning 1 vanaf 1 september 2021 tot het moment van ontbinding van de huurovereenkomst, vermeerderd met wettelijke rente;
- veroordeling van [geïntimeerde sub 1] tot betaling van een gebruiksvergoeding voor elke ingegane maand dat [geïntimeerde sub 1] na de ontbinding van de huurovereenkomst in woning 1 verblijft, vermeerderd met wettelijke rente;
- veroordeling van [geïntimeerde sub 1] tot betaling van € 5.000,-- aan contractuele boete, vermeerderd met wettelijke rente;
- de woning zonder toestemming van Woonkwartier geheel of gedeeltelijk onder te verhuren, althans in gebruik te geven aan derden;
- zelf zijn hoofdverblijf geruime tijd niet te hebben in de woning;
- woning 1 aan te houden terwijl hij van Woonkwartier – een woningcorporatie met een aanzienlijke wachtlijst – samen met [geïntimeerde sub 2] woning 2 huurt
- een huurachterstand te laten ontstaan.
- Het beding in artikel 7.5 van de algemene huurvoorwaarden dat de bewijslast wijzigt, is niet onredelijk bezwarend. Het beroep van [geïntimeerde sub 1] op vernietigbaarheid van die bepaling slaagt dus niet (rov. 4.2 en 4.3).
- [geïntimeerde sub 1] heeft zijn hoofdverblijf in woning 1. Op dat punt is geen sprake van een tekortkoming (rov. 4.4).
- Er is niet komen vast te staan dat [geïntimeerde sub 1] woning 1 heeft onderverhuurd. Ook is geen sprake van ingebruikgeving van woning 1 aan een ander (rov. 4.5, eerste deel).
- Er is wel sprake van inwoning in woning 1. [geïntimeerde sub 1] had daarvan op grond van artikel 2.5 van de algemene huurvoorwaarden melding moeten maken bij Woonkwartier. Omdat hij dat niet gedaan heeft, is hij tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst. Wegens haar geringe betekenis rechtvaardigt deze tekortkoming de ontbinding van de huurovereenkomst niet. De vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst met betrekking tot woning 1 en tot ontruiming van die woning moeten dus worden afgewezen. Dat geldt dus ook voor de vordering tot betaling van een gebruiksvergoeding. (rov. 4.5).
- [geïntimeerde sub 1] is de contractuele boete niet verschuldigd (rov. 4.6).
- [geïntimeerde sub 1] heeft de huurachterstand over de periode tot en met augustus 2021 inmiddels geheel ingelopen. De vordering tot betaling van achterstallige huur wordt daarom afgewezen (rov. 4.7).
, duidelijk naar voren is gekomen dat de huurder al jaren niet meer zijn hoofdverblijf voert en dat de woning al meerdere jaren wordt onderverhuurd. Echter de laatste 6 maanden wordt de woning niet meer onderverhuurd c.q. bewoond. De originele huurder is al enige tijd niet meer gezien.
is duidelijk naar voren gekomen dat daar wel wordt gewoond door de huurster met haar kinderen en dat de vader van de kinderen, de huurder van [adres ] , daar voornamelijk verblijft. Ook is er sprake van een haat-liefde relatie tussenbeide. Wat de buren opvalt is dat men niet meer openlijk de voordeur gebruikt en sinds een aantal weken de achterzijde van de woning gebruiken om bijvoorbeeld de kinderen naar school te brengen.
- B. Woonkwartier heeft bij woning 1 woningcontroles uitgevoerd op 30 maart 2022, 7 april 2022, 28 april 2022, 9 mei 2022, 29 juni 2022, 8 juli 2022 en 26 juli 2022. Bij geen van die controles is [geïntimeerde sub 1] aangetroffen. Wel werd geconstateerd dat de voortuin ernstig is verwilderd.
- C. Op 24 november 2022 heeft een Wijkregisseur Sociaal Beheer van Woonkwartier een nader buurtonderzoek gedaan bij woning 1 en in dat kader met een aantal omwonenden gesproken. Bij e-mail van 24 november 2022 heeft de Wijkregisseur daarover het volgende meegedeeld aan de advocaat van Woonkwartier:
- D. [geïntimeerde sub 1] heeft nadat het beroepen vonnis in hoger beroep was gewezen, wederom ten aanzien van woning 1 een huurachterstand laten ontstaan. Kort voor de mondelinge behandeling na aanbrengen van 14 september 2022 bedroeg de huurachterstand € 1.753,25 (drie maanden). Ten tijde van de memorie van grieven was de achterstand opgelopen tot € 2.342,08 (vier maanden). Ten tijde van de door Woonkwartier op 23 mei 2023 genomen akte bedroeg de achterstand acht maanden.
- E. Toen de huurachterstand was opgelopen tot zes maanden, heeft Woonkwartier [geïntimeerde sub 1] in kort geding betrokken en onder meer veroordeling van [geïntimeerde sub 1] gevorderd tot betaling van € 3.519,74 aan achterstallige huur tot en met maart 2023 en tot ontruiming van woning 1. [geïntimeerde sub 1] is niet verschenen in de kortgedingprocedure. Bij vonnis in kort geding van 15 mei 2023 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Bergen op Zoom, als onmiddellijke voorziening bij voorraad in de zin van artikel 254 Rv Pro, [geïntimeerde sub 1] onder meer veroordeeld tot betaling van € 3.519,74 aan achterstallige huur tot en met maart 2023 en tot ontruiming van woning 1. Of de ontruiming inmiddels heeft plaatsgevonden is aan het hof niet bekend. Woonkwartier heeft bij haar laatste proceshandeling – haar akte van 23 mei 2023 – gesteld voornemens te zijn de ontruiming van woning 1 zo spoedig mogelijk te laten uitvoeren.
- I. ontbinding van de tussen Woonkwartier en [geïntimeerde sub 1] bestaande huurovereenkomst betreffende woning 1;
- II. veroordeling van [geïntimeerde sub 1] tot ontruiming van woning 1;
- III. veroordeling van [geïntimeerde sub 1] tot betaling van € 2.342,08 aan huurachterstand over de periode tot en met januari 2023, vermeerderd met wettelijke rente;
- IV. veroordeling van [geïntimeerde sub 1] tot betaling van € 588,83 per maand vanaf 1 februari 2023 tot aan het moment van de ontbinding van de huurovereenkomst;
- V. veroordeling van [geïntimeerde sub 1] tot betaling van een gebruiksvergoeding van € 588,83 voor elke ingegane maand dat [geïntimeerde sub 1] na de ontbinding van de huurovereenkomst in woning 1 verblijft, vermeerderd met wettelijke rente;
- VI. veroordeling van [geïntimeerde sub 1] tot betaling van € 974,05 ter zake de kosten van het onderzoek door Veerkracht, vermeerderd met wettelijke rente;
- dat de kantonrechter op grond van de gedingstukken van de eerste aanleg al had moeten oordelen dat [geïntimeerde sub 1] tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichting om zijn hoofdverblijf te houden in woning 1;
- dat op grond van de na het vonnis gebleken feiten en omstandigheden nog duidelijker is gebleken dat [geïntimeerde sub 1] tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichting om zijn hoofdverblijf te houden in woning 1.
- Woonkwartier heeft meldingen ontvangen dat er andere mensen dan [geïntimeerde sub 1] in woning 1 verblijven, dat [geïntimeerde sub 1] er zelf niet meer woont en dat [geïntimeerde sub 1] alleen kort komt om de post op te halen.
- [geïntimeerde sub 1] heeft samen met [geïntimeerde sub 2] woning 2 van Woonkwartier gehuurd. Als het de bedoeling was dat alleen [geïntimeerde sub 2] daar zou gaan wonen, komt het niet logisch voor dat [geïntimeerde sub 1] mede als huurder van die woning is opgetreden.
- Woonkwartier heeft woning 1 in 2020 diverse malen bezocht. [geïntimeerde sub 1] is daarbij nimmer aangetroffen.
- [persoon A] , die wel werd aangetroffen, heeft op 18 juni 2020 verklaard dat hij met toestemming van [geïntimeerde sub 1] in de woning woont en dat [geïntimeerde sub 1] op zijn beurt bij zijn moeder woont.
- Omwonenden van woning 2 hebben op 12 augustus 2020 bij een telefonisch buurtonderzoek aan Woonkwartier meegedeeld dat in woning 2 een gezin woont. Dit wijst er in samenhang met de andere aanwijzingen op dat [geïntimeerde sub 2] daar destijds niet alleen met haar kinderen woonde maar ook met [geïntimeerde sub 1] .
- Op 17 augustus 2020 heeft Woonkwartier in de papiercontainer bij woning 2 een poststuk aangetroffen dat geadresseerd was aan [geïntimeerde sub 1] op het adres van woning 1. Dit bevestigt de eerder genoemde aanwijzingen dat [geïntimeerde sub 1] alleen bij woning 1 komt om post op te halen en veel verblijft in woning 2.
- De situatie die Woonkwartier op 10 september 2020 in woning 1 heeft aangetroffen wijst er sterk op dat die woning op dat moment alleen door [persoon A] werd bewoond.
- dat wel sprake van inwoning in woning 1;
- dat [geïntimeerde sub 1] daarvan op grond van artikel 2.5 van de algemene huurvoorwaarden melding had moeten maken bij Woonkwartier;
- dat hij tekortgeschoten is in de nakoming van de huurovereenkomst omdat hij de melding niet gedaan heeft;
- dat deze tekortkoming wegens haar geringe betekenis de ontbinding van de huurovereenkomst niet rechtvaardigt.
7.De uitspraak
- ontbindt de huurovereenkomst tussen Woonkwartier en [geïntimeerde sub 1] betreffende de woning gelegen aan het [adres ] , gemeente Halderberge;
- veroordeelt [geïntimeerde sub 1] om die woning binnen veertien dagen na betekening van dit arrest, te ontruimen en te verlaten, onder afgifte van de sleutels, met al hetgeen van [geïntimeerde sub 1] is en met al de personen die zijdens [geïntimeerde sub 1] in die woning verblijven, en de woning ter vrije en algehele beschikking te stellen van Woonkwartier;
- veroordeelt [geïntimeerde sub 1] tot betaling aan Woonkwartier van € 2.342,08 ter zake huurachterstand over de periode tot met januari 2023, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de dag dat het bedrag opeisbaar is geworden;
- veroordeelt [geïntimeerde sub 1] om aan Woonkwartier € 588,83 per maand te betalen over de periode vanaf 1 februari 2023 tot de datum van dit arrest (het moment van ontbinding van de huurovereenkomst van woning 1), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over elke maandtermijn vanaf de dag dat die maandtermijn opeisbaar is geworden;
- veroordeelt [geïntimeerde sub 1] om aan Woonkwartier een gebruiksvergoeding van € 588,83 per maand te betalen voor iedere dag vanaf de datum van dit arrest (de datum van ontbinding van de tussen partijen bestaande huurovereenkomst) tot de dag waarop Woonkwartier weer de beschikking over het gehuurde heeft gekregen, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over elke (maand)termijn vanaf de dag dat die termijn opeisbaar is geworden;
- veroordeelt [geïntimeerde sub 1] om aan Woonkwartier € 974,05 te betalen ter zake de kosten van het onderzoek door Veerkracht, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf 17 januari 2023;
- veroordeelt [geïntimeerde sub 1] om aan Woonkwartier € 5.000,-- te betalen ter zake contractuele boete, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf 2 maart 2021;
- compenseert de proceskosten van het geding in eerste aanleg tussen Woonkwartier en [geïntimeerde sub 2] , aldus dat elke partij de eigen kosten moet dragen;
- veroordeelt [geïntimeerde sub 1] in de proceskosten van het geding bij de kantonrechter aan de zijde van Woonkwartier, en begroot die kosten tot op heden op € 108,22 aan dagvaardingskosten, € 126,-- aan griffierecht en € 374,-- aan salaris gemachtigde;