Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2023:3133

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
28 september 2023
Publicatiedatum
28 september 2023
Zaaknummer
200.324.619_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251a BWArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging gezamenlijk gezag naar eenhoofdig gezag over minderjarige

Partijen zijn gehuwd geweest en oefenen gezamenlijk gezag uit over hun kinderen. De minderjarige [minderjarige 1], geboren in 2008, woont bij de moeder en heeft sinds 2021 geen fysiek contact meer met de vader. De rechtbank Limburg wees in januari 2023 het verzoek van de moeder af om alleen het gezag te krijgen en stelde een begeleide omgangsregeling in.

De moeder ging in hoger beroep tegen deze beschikking en verzocht het gezag over [minderjarige 1] aan haar toe te wijzen. De vader voerde geen verweer en gaf aan het verzoek te ondersteunen, omdat de minderjarige geen contact wenst en het in hun beider belang is dat hij een stap terug doet.

Het hof overwoog dat er sprake is van een onaanvaardbaar risico dat het kind klem raakt tussen de ouders en dat wijziging van het gezag noodzakelijk is in het belang van het kind. Gezien de afwijzing van de vader door de minderjarige en de oprechtheid van de ouders, wijzigde het hof het gezag naar eenhoofdig gezag voor de moeder.

Uitkomst: Het gezag over de minderjarige wordt gewijzigd van gezamenlijk naar eenhoofdig gezag voor de moeder.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak: 28 september 2023
Zaaknummer: 200.324.619/01
Zaaknummer eerste aanleg: C/03/295957 / FA RK 21-3280
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder],
wonende te [woonplaats moeder] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. L.E.I.K. Jaminon,
tegen
[de vader],
wonende te [woonplaats vader] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader
,
advocaat: mr. S.G.L. Bremen.
Deze zaak gaat over de minderjarige [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats] .
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
Raad voor de Kinderbescherming,
regie Limburg, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 11 februari 2022 en 13 januari 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 maart 2023, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking van 13 januari 2023 te vernietigen (naar het hof begrijpt) voor zover het betreft het gezag over [minderjarige 1] , en alsnog de moeder alleen met het gezag over [minderjarige 1] te belasten.
2.2.
De vader heeft geen verweerschrift ingediend.
2.3.
Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 1 februari 2022;
- een V-formulier van 31 mei 2023 met een brief van de advocaat van de vader;
- een e-mailbericht van 2 juni 2023 van de advocaat van de moeder;
- een V-formulier van 10 augustus 2023 met producties van de advocaat van de moeder.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2023. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. Jaminon;
- de vader, bijgestaan door mr. Bremen;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
2.5.
Het hof heeft, mede gezien hetgeen in het hierna volgende wordt overwogen, afgezien van het horen van [minderjarige 1] . Het hof is tot deze beslissing gekomen omdat het belang van [minderjarige 1] zich tegen dit horen verzet en er geen verdere gronden aanwezig zijn die maken dat tot een andere beslissing gekomen dient te worden.

3.De beoordeling

Feiten
3.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2010 te [geboorteplaats] .
De vader en de moeder oefenen gezamenlijk het gezag over de kinderen uit. De kinderen wonen bij de moeder.
3.2.
Bij beschikking van 11 februari 2022 heeft de rechtbank, kort gezegd, de raad verzocht een onderzoek te verrichten naar en te adviseren ter zake het gezag en de zorgregeling betreffende beide kinderen. Iedere verdere beslissing heeft de rechtbank aangehouden.
De raad heeft bij rapport van 4 oktober 2022 de rechtbank geïnformeerd en geadviseerd.
3.3.
Bij de bestreden beschikking van 13 januari 2023 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang:
- het verzoek van de moeder om haar voortaan alleen met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te belasten afgewezen;
- bepaald dat de zorgregeling tussen [minderjarige 1] en de vader voorlopig, totdat daarover nader wordt beslist, zal plaatsvinden in het kader van een begeleide omgangsregeling op niveau 2 (BOR-2) onder professionele begeleiding, waarbij de professional de regie over de contacten heeft, voor de duur van acht maanden te rekenen vanaf de datum van deze beschikking;
Iedere verdere beslissing is aangehouden.
3.4.
[minderjarige 1] heeft sinds Pasen 2021 geen fysiek contact meer met de vader. In het kader van het BOR-traject, dat heeft plaatsgevonden van februari 2023 tot juli 2023, zijn geen contactmomenten tussen [minderjarige 1] en de vader tot stand gekomen.
Omvang van het geschil
3.5.
De moeder kan zich niet verenigen met voornoemde beschikking van 13 januari 2023 voor zover het de beslissing over het gezag over [minderjarige 1] betreft en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. De moeder wenst voortaan alleen het gezag over [minderjarige 1] uit te oefenen.
3.6.
De vader heeft bij brief van 31 mei 2023 aan het hof kenbaar gemaakt dat hij heeft besloten niet langer verweer te voeren tegen de door de moeder verzochte wijziging in het gezag over [minderjarige 1] . Daarbij heeft hij het volgende naar voren gebracht.
[minderjarige 1] wil op dit moment geen contact met hem en zij heeft ook de uitdrukkelijke wens uitgesproken dat alleen de moeder het gezag over haar krijgt. De vader is ervan overtuigd dat het op dit moment in hun beider belang is dat hij als vader een stap terug zet, zodat [minderjarige 1] de nodige rust en ruimte krijgt zich te ontplooien. De vader hoopt dat dat de verstandhouding tussen hem en [minderjarige 1] op de lange termijn goed doet. Hij verzoekt het hof nadrukkelijk het verzoek van de moeder te honoreren.
Motivering van de beslissing
3.7.
Het hof overweegt als volgt.
3.7.1.
Ingevolge artikel 1:251a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter na ontbinding van het huwelijk op verzoek van de ouders of van een van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
3.7.2.
Op grond van de processtukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep naar voren is gebracht, is duidelijk geworden dat [minderjarige 1] – zij wordt in oktober 2023 vijftien jaar oud – de vader al langere tijd volledig afwijst. De ouders zijn het erover eens dat de druk die het gezamenlijk gezag op dit moment voor [minderjarige 1] meebrengt, [minderjarige 1] sterkt in de afwijzing van de vader. Zij hopen beiden dat door wijziging van het gezag er meer ruimte en rust komt voor [minderjarige 1] .
Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan de oprechtheid van de ouders. Het hof acht het in de gegeven omstandigheden in het belang van [minderjarige 1] noodzakelijk om het gezag te wijzigen.
3.8.
Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen, voor zover het betreft de beslissing over het gezag van [minderjarige 1] , en het verzoek van de moeder om haar alleen met het gezag over [minderjarige 1] te belasten alsnog toewijzen.

4.De beslissing

Het hof:
vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht , van 13 januari 2023, voor zover de rechtbank het verzoek van de moeder om haar alleen met het gezag over [minderjarige 1] te belasten heeft afgewezen;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats] , aan de moeder alleen toekomt;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van
deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, H. van Winkel en E.M.C. Dumoulin en is op 28 september 2023 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.