In hoger beroep heeft het hof het vonnis van de rechtbank Limburg vernietigd en opnieuw recht gedaan omtrent de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de verkoop van goederen bestemd voor de georganiseerde teelt van hennep. Betrokkene werd samen met zijn broer veroordeeld voor medeplegen van strafbare feiten op grond van de Opiumwet in de periode van 1 maart 2015 tot 26 juni 2017.
Het hof baseerde zich op uitgebreide administratieve gegevens, waaronder resultatenrekeningen en grootboekmutaties van de onderneming [bedrijf 1], die zowel als vennootschap onder firma als besloten vennootschap opereerde. Uit onderzoek bleek dat de volledige omzet van [bedrijf 1] als wederrechtelijk verkregen voordeel werd aangemerkt, met aftrek van bedrijfskosten volgens de boekhouding. Het nettoresultaat over de bewezenverklaarde periode werd vastgesteld en gecorrigeerd voor vennootschapsbelasting.
Het hof hield rekening met de zeggenschap van betrokkene over de onderneming en concludeerde dat het voordeel aan hem kon worden toegerekend. Tevens werd een correctie toegepast voor het deel van de omzet dat voortkwam uit legale particuliere verkoop, vastgesteld op 60%. Hierdoor werd het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €43.463,24, waarvan de helft (€21.731,62) aan betrokkene werd toegerekend.
Gezien het verlies van bedrijfsmiddelen en de overige omstandigheden werd de betalingsverplichting aan de Staat op nihil gesteld. Het hof vernietigde het eerdere vonnis en deed opnieuw recht met deze vaststellingen.