In deze civiele zaak stond centraal of Klaverblad Schadeverzekeringsmaatschappij N.V. gehouden was tot uitkering op een verzekering die was afgesloten door geïntimeerde 1. Het hof heeft in hoger beroep het bewijs onderzocht dat Klaverblad bij kennis van de ware stand van zaken op 18 november 2016 geen verzekering zou hebben gesloten.
Het hof heeft getuigen gehoord van drie andere verzekeraars die het acceptatiebeleid van Klaverblad bevestigden. Uit hun verklaringen bleek dat een opgelegde gevangenisstraf, de ernst van het delict en het tijdsverloop belangrijke factoren zijn bij het acceptatiebeleid. De neef van geïntimeerde 1 was veroordeeld voor ernstige strafbare feiten, wat door het hof als relevant werd beschouwd.
De stelling van appellante dat Klaverblad de verzekering wel zou hebben gesloten, werd onvoldoende gemotiveerd en verworpen. Ook het argument dat andere verzekeraars de verzekering wel zouden hebben geaccepteerd, werd niet onderbouwd. Het hof oordeelde dat Klaverblad als redelijk handelend verzekeraar de verzekering niet zou hebben gesloten en dat de weigering tot uitkering terecht was.
Het hof bekrachtigde daarmee de eerdere vonnissen en veroordeelde appellante in de proceskosten van geïntimeerden.