In deze civiele zaak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Limburg die het verzoek tot opheffing van het bewind en mentorschap had afgewezen. Verzoeker stelde dat hij nooit zelf om bewind en mentorschap had verzocht en dat hij momenteel in staat is zijn belangen te behartigen, ondersteund door een medische verklaring. Tevens vroeg hij om aanhouding van de zaak in afwachting van een second opinion.
De bewindvoerder en mentor betoogden dat verzoeker niet meewerkt, verbaal agressief is en onder invloed van alcohol en drugs rondrijdt, waardoor het bewind en mentorschap noodzakelijk blijven. Het hof overwoog dat verzoeker zijn stellingen onvoldoende had onderbouwd en dat uit de stukken en mondelinge behandeling bleek dat verzoeker nog steeds begeleid woont, onder behandeling staat van een psychiater en een gevaar vormt voor zichzelf en anderen.
Het hof concludeerde dat de gronden voor het bewind en mentorschap onverminderd aanwezig zijn, ongeacht de vraag of sprake is van een psychiatrische stoornis. Daarom werd de beschikking van de rechtbank bekrachtigd en het verzoek tot opheffing afgewezen.