In deze zaak staat de vaststelling van kinderalimentatie ten behoeve van een minderjarige centraal. De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank die haar verplichtte vanaf 14 juni 2021 €250 per maand te betalen. De man heeft incidenteel hoger beroep ingesteld met een verzoek tot een ingangsdatum van 11 juni 2021.
Het hof stelt de ingangsdatum vast op 11 juni 2021, de datum waarop de man het verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie indiende. De behoefte van het kind is vastgesteld op circa €336 tot €342 per maand, en de vrouw stelt dat zij slechts een parttime inkomen heeft en door arbeidsongeschiktheid niet meer kan werken, waardoor zij slechts €50 per maand kan betalen.
Het hof oordeelt dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat zij niet in staat is meer te verdienen en gaat uit van een fulltime dienstverband bij de bepaling van haar draagkracht. Tevens wijst het hof het verzoek tot zorgkorting af omdat er al langere tijd geen contact is tussen de vrouw en het kind. De vrouw moet daarom vanaf 11 juni 2021 €250 per maand betalen. Het hof vernietigt de eerdere beschikking en wijst het meer of anders verzochte af.