Uitspraak
GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
;
.
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de rechthebbende, bijgestaan door mr. Van Heerd;
- [vertegenwoordiger namens het bewindvoerderskantoor] namens de bewindvoerder.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
De rechthebbende verzocht bij het hof om het beschermingsbewind dat in 2017 was ingesteld op te heffen. Hij stelde dat de omstandigheden die destijds tot het bewind leidden, zoals zijn alcoholverslaving en gokgedrag, niet meer aanwezig zijn en dat hij zelf zijn financiën kan beheren. Tevens ervaart hij het bewind als een belemmering voor zijn woonsituatie.
De bewindvoerder betoogde dat het bewind nog steeds noodzakelijk is vanwege de voortdurende problematiek van de rechthebbende, waaronder zijn verslavingen en aanzienlijke schuldenlast. Ook werd gesteld dat de rechthebbende niet meewerkt aan hulpverlening en daardoor niet in staat is zijn financiën zelfstandig te beheren.
Het hof oordeelde dat de noodzaak van het bewind blijft bestaan. De door de rechthebbende aangevoerde stellingen over herstel zijn onvoldoende onderbouwd, en de verslavingsproblematiek blijkt uit medische en gemeentelijke rapportages nog steeds aanwezig. Het bewind draagt bij aan het voorkomen van nieuwe schulden en het aflossen van bestaande schulden.
Daarom werd de beschikking van de rechtbank Limburg van 8 november 2022 bekrachtigd en het verzoek tot opheffing van het bewind afgewezen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot opheffing van het beschermingsbewind wegens aanhoudende verslavingsproblematiek en financiële problematiek.