Uitspraak
1.Het geding
- het procesdossier in eerste aanleg, in hoger beroep en in cassatie;
- de memorie na verwijzing met producties 1-49 van mr. Van Weverwijk namens de vrouw, van 20 oktober 2022;
- een akte van depot van 20 oktober 2022 waarmee namens de vrouw een USB-stick met het procesdossier ter griffie is gedeponeerd;
- de memorie van antwoord na verwijzing met producties 60-66 van mr. Berghuis-Knijff namens de man, van 27 december 2022;
- de brief met producties 50-55 van mr. Van Weverwijk van 3 maart 2023;
- het V6-formulier met productie 67 van mr. Berghuis-Knijff van 9 maart 2023;
- het V6-formulier met producties 56-59 van mr. Van Weverwijk van 10 maart 2023;
- de tijdens de mondelinge behandeling door de advocaten overgelegde pleitnotities.
2.De feiten
3.Het verloop van de procedure
- € 491,- met ingang van 2 september 2015
- € 497,38 met ingang van 1 januari 2016
- € 406,- met ingang van 1 september 2016
- € 414,53 met ingang van 1 januari 2017
- € 420,74 met ingang van 1 januari 2018
- € 429,16 met ingang van 1 januari 2019
- € 439,89 met ingang van 1 januari 2020
- NIHIL met ingang van 1 mei 2020
- € 706,- met ingang van 1 juli 2016
- € 641,- met ingang van 1 september 2016
- € 654,46 met ingang van 1 januari 2017
- € 664,28 met ingang van 1 januari 2018
- € 677,56 met ingang van 1 januari 2019
- € 694,50 met ingang van 1 januari 2020
- NIHIL met ingang van 1 mei 2020
- bij de vaststelling van de draagkracht van de man ten behoeve van kinder- en partneralimentatie het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de door de man aan de bank verschuldigde rente in verband met de financiering van de voormalige echtelijke woning (in periode 1) onjuist heeft berekend.
- niet gebleken is dat de man heeft gesteld dat de netto rentelast van de schuld uit hoofde van de financiering van de voormalige echtelijke woning € 53.090,- per jaar bedraagt (in periode 2). Het tijdstip waarop de rekening-courantschuld van de onderneming aan de man geheel zou zijn verrekend met de door de man aan de onderneming verschuldigde rente, heeft het hof dan ook niet kunnen berekenen zoals het heeft gedaan.
- de rentebetalingen van de man (in periode 3) voor de onderneming inkomsten zijn en de man het, als enige aandeelhouder, in zijn macht heeft de uitkeerbare reserves van de onderneming geheel of gedeeltelijk als dividend aan zichzelf uit te keren, zodat zonder nadere toelichting niet begrijpelijk is dat het gerechtshof de rentebetalingen als last van de man heeft betrokken bij de berekening van zijn draagkracht. Zonder nadere motivering is voorts niet begrijpelijk waarom niet ook de door de onderneming te ontvangen rente ruimte zou bieden voor het uitkeren van dividend aan de man.