De zaak betreft een hoger beroep van de man tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant die zijn verzoek tot nihilstelling van partneralimentatie afwees. De echtscheiding tussen partijen werd uitgesproken in 2013, waarbij de man een partneralimentatie van €517 bruto per maand aan de vrouw moest betalen. De man betwistte in hoger beroep zijn draagkracht en verzocht de alimentatie op nihil te stellen.
Tijdens de mondelinge behandeling op 13 maart 2023 bereikten partijen overeenstemming over een gewijzigde alimentatiebetaling. De man zal vanaf 1 oktober 2020 een bedrag van €169 per maand betalen, met indexering vanaf 1 januari 2024. Het hof acht deze afspraak redelijk en billijk, mede gelet op de fysieke conditie van de man en zijn lange dienstverband met ontslagrondes en pré-pensioen.
Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank en wijzigt het convenant uit 2013 overeenkomstig de nieuwe afspraken. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij ieder zijn eigen kosten draagt. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.