De GI handhaaft haar standpunt. [minderjarige] is opgegroeid in een gezin waarin seksueel misbruik heeft plaatsgevonden. Hij heeft hierdoor onvoldoende kunnen leren wat veilig is en wat niet; de psychische bescherming werd niet geboden. Kinderen leren door continuïteit in gehechtheidsrelaties - waaraan het heeft ontbroken- erop te vertrouwen dat de ouder er is als een kind dat nodig heeft. Door het seksueel misbruik van de vader van de zus van [minderjarige], is ook aan [minderjarige] niet de benodigde veilige omgeving geboden. Kinderen vormen door interactie met ouders een beeld van zichzelf, van anderen en van de wereld waarin het kind leeft. Door het seksueel misbruik binnen het gezin en de daaropvolgende afwezigheid van de vader wegens zijn detentie is bij [minderjarige] een bedreiging in de ontwikkeling ontstaan.
De ouders zien niet dat het seksueel misbruik van het zusje van [minderjarige] ook zorgelijk is voor de hechtingsrelaties en identiteitsontwikkeling van [minderjarige]. Daarom heeft de GI zorgen of de ouders voldoende kunnen voorzien in de behoeften van [minderjarige].
Hoewel het eerste doel van het traject met ViaNeo is behaald, geldt dit niet voor het tweede doel. Er is geen zicht gekregen op de mogelijkheden in het netwerk voor het begeleiden van de omgang van [minderjarige] en zijn vader. Ook is het voor de GI niet duidelijk of [minderjarige] zich leeftijdsadequaat ontwikkelt. De GI krijgt geen informatie van school omdat de ouders daar geen toestemming voor geven.
Daarnaast is nog altijd niet duidelijk of bij de vader sprake is van een stoornis en zo ja, welke. Mede daardoor is ook onduidelijk of ouders aan [minderjarige] de fysieke bescherming kunnen bieden en waarborgen. De ouders lijken de noodzaak voor het veiligheidsplan niet te zien. Er zijn zorgen over het herstel van de schade die [minderjarige] heeft geleden. Dat [minderjarige] geen zorgelijk gedrag laat zien betekent niet dat hij niet in zijn ontwikkeling bedreigd wordt. Pas wanneer het veiligheidsplan gereed is kan er meer duidelijkheid komen over de rol van de vader in de toekomst van [minderjarige]. De oplossing van de ontwikkelingsbedreiging ligt niet bij [minderjarige] maar bij de ouders.
Het veiligheidsplan moet zijn opgesteld voordat kan worden bepaald of en hoe onbegeleid contact tussen de vader en [minderjarige] mogelijk is. Aan de hand van de door ouders gegeven inbreng in het kader van het plan Signs of Safety dient er eerst een veilige situatie te worden gewaarborgd voor [minderjarige]. Dan pas heeft hulpverlening voor [minderjarige] zin. Daarnaast bestaat nog veel onduidelijkheid over de eerder door de ouders gewenste gezinshereniging. De GI heeft twijfels over de relatie tussen de ouders.
De GI vindt het verontrustend dat [minderjarige] liever niet wil denken en praten over hetgeen binnen het gezin is gebeurd en wat dit met hem doet. De GI denkt dat er psycho-educatie moet komen voor [minderjarige] om daarmee de thans aanwezige ontwikkelingsbedreiging voor de toekomst zo beperkt mogelijk te maken. De hulpverlening vanuit [instantie 2] en [instantie 2] zijn voortijdig beëindigd. Dat is zorgelijk. Ook zijn er zijn zorgen rondom de samenwerkingsrelatie tussen de ouders en het [instantie 1].
De GI ontkent een negatief beeld van de moeder te hebben geschetst. De GI heeft, hoewel zij vragen heeft over de psychische gesteldheid van de moeder, van de moeder geen rapportages of informatie ontvangen over of vanuit haar de hulpverlening die zij voor zichzelf heeft.
Volgens de GI is gelet op het voormelde van mening dat de maximale duur van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is.