ECLI:NL:GHSHE:2023:1053

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
30 maart 2023
Publicatiedatum
30 maart 2023
Zaaknummer
200.315.390_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overeenkomst en vaststelling kinderalimentatie in hoger beroep

In deze zaak zijn de man en vrouw, ouders van een minderjarige geboren in 2020, in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank over kinderalimentatie. De moeder heeft het eenhoofdig gezag en het kind woont bij haar. De vader heeft het kind niet erkend, maar het biologisch ouderschap wordt niet betwist.

De rechtbank had de kinderalimentatie vastgesteld op €130 per maand vanaf 26 oktober 2021 en €132 per maand vanaf 1 januari 2022. De man was het hier niet mee eens en kwam in hoger beroep, waarbij hij onder meer de draagkracht van beide partijen en de ingangsdatum betwistte. De vrouw voerde verweer en stelde in incidenteel hoger beroep een hoger bedrag aan kinderalimentatie voor.

Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof op 15 februari 2023 bereikten partijen overeenstemming over de alimentatie. Zij handhaafden hun grieven niet meer en spraken af dat de man vanaf 1 maart 2023 €100 per maand zal betalen, met een regeling voor een achterstallig bedrag van €1.000 over de periode 26 oktober 2021 tot 1 maart 2023, te voldoen in twee termijnen.

Het hof heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd en de gemaakte afspraken tussen partijen overgenomen in zijn beschikking, die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Uitkomst: Het hof stelde vast dat de man vanaf 1 maart 2023 €100 per maand kinderalimentatie betaalt en legde een betalingsregeling voor achterstallige alimentatie vast.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Familie en Jeugdrecht
zaaknummer : 200.315.390/01
zaaknummer rechtbank : C/02/391136 FA RK 21-5044
beschikking van de meervoudige kamer van 30 maart 2023
inzake
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. J. van Andel te Driebergen-Rijsenburg,
tegen
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. K. van Doorn te Gilze.

1.Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 1 juni 2022, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
De man is op 1 september 2022 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 1 juni 2022.
2.2.
De vrouw heeft op 3 november 2022 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3.
De man heeft op 16 december 2022 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- het V6-formulier van 8 september 2022, met bijlagen, van de advocaat van de man, ingekomen bij het hof op 9 september 2022;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank, ingekomen bij het hof op 5 oktober 2021;
- het V8-formulier van 3 februari 2023, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw, ingekomen bij het hof op diezelfde datum;
- het V6-formulier van 3 februari 2023, met bijlagen, van de advocaat van de man, ingekomen bij het hof op 6 februari 2023.
2.5.
De mondelinge behandeling heeft op 15 februari 2023 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3.De feiten

3.1.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2.
Partijen zijn de ouders van:
- [minderjarige] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2020.
3.3.
De moeder is belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] .
3.4.
[minderjarige] woont bij de moeder.
3.5.
[minderjarige] is niet door de vader erkend. Het biologisch ouderschap wordt niet betwist.
3.6.
Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

4.De omvang van het geschil

4.1.
Bij de bestreden beschikking is de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) met ingang van 26 oktober 2021 op € 130,- en met ingang van 1 januari 2022 op € 132,- per maand vastgesteld.
4.2.
De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen.
4.2.1.
De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad, de vrouw alsnog niet-ontvankelijk te verklaren, althans de verzoeken aan de vrouw (alsnog) te ontzeggen, kosten rechtens.
De grieven van de man zien op: het al dan niet toelaten van stukken binnen de periode van tien dagen voorafgaand aan de mondelinge behandeling, de ingangsdatum, de behoefte, de draagkracht van de vrouw en de draagkracht van de man.
4.3.
De vrouw heeft verweer gevoerd en in principaal hoger beroep heeft zij verzocht het verzoek van de man in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het hoger beroep van de man af te wijzen als ongegrond dan wel onbewezen.
In incidenteel hoger beroep heeft de vrouw verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad, bij beschikking te bepalen dat de man met ingang van 26 oktober 2021 bij vooruitbetaling aan de vrouw per maand aan kinderalimentatie dient te betalen een bedrag van € 155,75 en vanaf 1 januari 2022 een bedrag van € 158,71 per maand, althans een ingangsdatum en bijdrage in goede justitie te bepalen.
De grief van de vrouw ziet op de draagkracht van de man.
4.4.
De man heeft in het verweer in incidenteel hoger beroep verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar incidenteel hoger beroep, althans het incidenteel hoger beroep aan de vrouw te ontzeggen c.q. dat af te wijzen, de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

5.De motivering van de beslissing

5.1.
Bij aanvang van de mondelinge behandeling bij het hof hebben de man en de vrouw het hof bericht dat zij overeenstemming hebben bereikt over hetgeen hen in hoger beroep verdeeld hield en dat zij geen behoefte meer hadden aan een inhoudelijke behandeling van de zaak.
5.2.
Namens de man en de vrouw is verklaard dat zij beiden hun grieven in hoger beroep niet handhaven en dat zij zijn overeengekomen dat de man met ingang van
1 maart 2023 aan de vrouw een bedrag van € 100,- per maand zal betalen aan kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] .
Partijen zijn het er over eens dat de man op grond van de bestreden beschikking over de periode van 26 oktober 2021 tot 1 maart 2023 ter zake de kinderalimentatie nog een bedrag verschuldigd is aan de vrouw van € 1.000,- in totaal, ter zake waarvan de man uiterlijk
1 april 2023 de eerste € 500,- en uiterlijk 1 juni 2023 de resterende € 500,- aan de vrouw zal voldoen.
Uitbetaling zal geschieden op het door de vrouw verstrekte bankrekeningnummer:
[nummer] .
5.3.
Het hof zal de verzoeken in hoger beroep als dienovereenkomstig gewijzigd beschouwen en de door partijen onderling gemaakte afspraken opnemen in de beschikking, voor zover die afspraken zich daarvoor lenen.

6.De beslissing

Het hof:
in principaal en incidenteel hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van
1 juni 2022, met ingang van 1 maart 2023:
en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 maart 2023 een bedrag van € 100,- per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] , zal voldoen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, A.J.F. Manders en M.J.C. van Leeuwen, bijgestaan door de griffier, en is op 30 maart 2023 uitgesproken in het openbaar
door mr. J.C.E. Ackermans-Wijn in tegenwoordigheid van de griffier.