West Plant Limburg B.V. (WPL) was in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de rechtbank Limburg. Tijdens de procedure trok WPL haar vorderingen in het hoger beroep in, met instemming van de curator in het faillissement van de wederpartij. Hierdoor werd het hoger beroep feitelijk beëindigd.
De mondelinge behandeling, oorspronkelijk gepland op 24 september 2021, ging niet door vanwege ziekte van de bestuurder van WPL. Een nieuwe zitting was gepland op 17 februari 2022, maar partijen informeerden het hof op 16 februari 2022 over de intrekking van het hoger beroep en hun verzoek om WPL te veroordelen in de proceskosten.
Het hof verklaarde WPL niet-ontvankelijk in het hoger beroep en veroordeelde haar in de proceskosten, bestaande uit griffierecht en salaris advocaat, begroot op in totaal €6.578,00. De mondelinge behandeling werd niet toegekend in de kosten omdat deze niet heeft plaatsgevonden. Het arrest werd uitgesproken op 15 maart 2021 door drie raadsheren.