ECLI:NL:GHSHE:2022:570

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
24 februari 2022
Publicatiedatum
24 februari 2022
Zaaknummer
200.302.149_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:247 lid 2 BWArt. 1:266 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging beëindiging ouderlijk gezag over drie minderjarige kinderen

Deze zaak betreft het hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant die haar het ouderlijk gezag over drie minderjarige kinderen ontneemt en de Gecertificeerde Instelling (GI) tot voogd benoemt.

De kinderen zijn sinds mei 2020 onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst vanwege een onveilige opvoedsituatie gekenmerkt door huiselijk geweld, verwaarlozing en psychische mishandeling. De moeder heeft een verstandelijke beperking en ernstige persoonlijke problematiek, waardoor zij niet in staat is binnen een aanvaardbare termijn de noodzakelijke verzorging en opvoeding te bieden.

De moeder betoogt dat zij leerbaar is en een kans verdient om haar opvoedcapaciteiten te tonen, maar het hof oordeelt dat de veiligheid en ontwikkeling van de kinderen ernstig worden bedreigd en dat beëindiging van het gezag noodzakelijk is. Het hof bekrachtigt de beschikking en benadrukt het belang van blijvend contact tussen moeder en kinderen via de GI.

Uitkomst: Het gerechtshof bekrachtigt de beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over de drie minderjarige kinderen.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 24 februari 2022
Zaaknummer : 200.302.149/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/01/371830 / FA RK 21-2719
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. P.J.A. van de Laar,
tegen
Raad voor de Kinderbescherming,
regio Oost-Brabant, locatie [locatie] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de raad.
In het kort:
Deze zaak gaat over de beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over de minderjarigen:
  • [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2011 (hierna te noemen: [minderjarige 1] );
  • [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2018 (hierna te noemen: [minderjarige 2] );
  • [minderjarige 3], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2020 (hierna te noemen: [minderjarige 3] ).
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
- William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna te noemen: de GI (Gecertificeerde Instelling).
Als informant wordt aangemerkt:
- [de vader] (hierna te noemen: de vader).

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 17 september 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 5 november 2021, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking van de rechtbank te vernietigen en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de raad in zijn verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, of althans het verzoek als zijnde ongegrond en ook onbewezen te ontzeggen.
2.2.
Bij verweerschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 1 december 2021, heeft de raad verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.
2.2.1.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 december 2021, heeft de GI verzocht het door de moeder ingestelde beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de beschikking van de rechtbank waarvan beroep te bekrachtigen.
2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 januari 2022. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. P.J.A. van de Laar;
- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;
- mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI.
2.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
  • het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 7 september 2021;
  • het procesdossier van de procedure in eerste aanleg.

3.De beoordeling

3.1.
Uit de moeder zijn geboren: [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] , hierna gezamenlijk ook te noemen: ‘de kinderen’.
De biologische vader van [minderjarige 1] is niet in beeld.
De heer [de vader] is de biologische vader van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Hij heeft [minderjarige 2] en [minderjarige 3] erkend. De moeder heeft het eenhoofdig gezag over de kinderen.
3.2.
[minderjarige 1] heeft in het verleden, van 4 november 2011 tot 4 november 2015, onder toezicht gestaan van de GI.
De kinderen staan sinds 22 mei 2020 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 22 mei 2022. De kinderen zijn op grond van een daartoe strekkende spoedmachtiging voor de duur van vier weken met ingang van 1 oktober 2020 uit huis geplaatst. Op 8 oktober 2020 werd deze beschikking herroepen wegens het ontbreken van het vereiste element van spoed en werden de kinderen bij de moeder teruggeplaatst.
Vervolgens zijn de kinderen op grond van een daartoe strekkende (reguliere) machtiging met ingang van 11 november 2020 uit huis geplaatst.
[minderjarige 1] is eerst geplaatst bij een crisis-pleeggezin en woont sinds juli 2021 bij het netwerkpleeggezin van opa en oma moederszijde. De moeder ziet [minderjarige 1] eens per twee weken bij opa en oma thuis en de andere week heeft de moeder telefonisch contact met [minderjarige 1] .
[minderjarige 2] woont sinds april 2021 in een gezinshuis en de moeder bezoekt haar eens per zes weken.
[minderjarige 3] woont sinds oktober 2021 in een perspectief biedend pleeggezin en de moeder bezoekt haar eens per drie weken.
3.3.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank - voor zover in hoger beroep van belang - het gezag van de moeder beëindigd en de GI tot voogd over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] benoemd.
3.4.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.
De standpunten
3.5.
De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - samengevat - het volgende aan. De gezagsbeëindiging is niet nodig. De moeder weet dat ze haar beperkingen heeft maar zou graag nog een kans krijgen om aan te tonen dat ze voldoende opvoedcapaciteiten heeft. Er is onvoldoende gedaan om dit te onderzoeken en te snel beslist dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] niet meer bij de moeder kunnen opgroeien. De kinderen waren nog geen jaar uit huis. De moeder stelt zich leerbaar op en heeft stappen gezet. De moeder zou graag naar een moeder-kind huis willen en stelt zich open voor onderzoek en correcties.
Voordat de kinderen uit huis werden geplaatst had de moeder een moeilijke periode achter de rug vanwege de ruzies met de vader en lichamelijke problemen. De moeder moest de kinderen in haar eentje verzorgen en opvoeden en kreeg daarbij weinig hulp. Er werd vooral geobserveerd en de hulp die de moeder kreeg, zag veelal op huishoudelijke taken. De moeder had ook onvoldoende netwerk om op terug te vallen. De situatie is inmiddels veranderd. De vader steunt haar nu en wil ook een rol spelen in het leven van de kinderen.
De moeder vindt het ongewenst dat de kinderen nu alle drie op verschillende plaatsen verblijven en onderling geen contact hebben. Als ze bij de moeder zouden wonen speelt dit probleem niet.
De moeder heeft de indruk dat de GI een vooroordeel had en er vanaf het begin van uit is gegaan dat de kinderen niet bij de moeder zouden moeten verblijven.
De moeder is en blijft van mening dat zij wel degelijk voldoende veiligheid, structuur en stabiliteit kan bieden aan [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
3.6.
De raad voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - samengevat - het volgende aan.
De raad ziet dat de moeder een zeer belast verleden heeft en dat zij mede door haar persoonlijke problematiek niet in staat is om de kinderen een stabiele en veilige opvoedomgeving te bieden. Het lukt de moeder onvoldoende om aan de basisbehoeften van de kinderen te voldoen. Daarnaast lukt het de moeder niet om afspraken met de school, hulpverlening en de kinderen na te komen. Evenmin kan de moeder goed aansluiten op de emotionele behoeften van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
Sinds januari 2021 heeft de moeder weer contact met - en steun van - de vader. Dit leidt voor de raad niet tot een ander oordeel omtrent het verzoek tot gezagsbeëindiging. De moeder is ambivalent in haar partnerkeuze. In het verleden waren er zorgen over deze relatie die turbulent verliep en waarbij sprake was van huiselijk geweld. Ten tijde van het raadsonderzoek in juni 2021 wilde de moeder niets weten van de vader aangezien hij haar bleef opzoeken en lastig vallen. In juli 2021 is er nog een zorgmelding gedaan door Veilig Thuis in verband met stalking (van de moeder) door de vader. Uit het onderzoek kwam ook naar voren dat de vader een beperkt niveau heeft waardoor hij [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] opvoedkundig te weinig kan bieden.
3.7.
De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, - samengevat - aan dat de gezagsbeëindigende maatregel nog steeds noodzakelijk is. Ondanks de inzet en hulp van diverse instanties is het tot op heden niet gelukt de moeder tot inzicht te brengen dat haar thuissituatie niet de veiligheid, betrokkenheid en stabiliteit kan bieden die [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] nodig hebben. Zelfs toen de moeder 17 uur ondersteuning per week had, lukte het de moeder niet om zorg te dragen voor de verzorging en opvoeding van de kinderen.
De moeder legt de verantwoordelijkheid bij anderen neer en ziet niet in dat zij zelf veranderingen teweeg moet brengen. Evenmin ziet ze in dat de situaties en gebeurtenissen uit het verleden schadelijk zijn geweest voor de persoonlijke ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . De moeder ontkent de zorgen. Mede om deze reden is de kortdurende gezinsopname voortijdig stopgezet.
3.8.
De vader voert, kort samengevat, het volgende aan. De moeder zou het gezag terug moeten krijgen. De beslissing om het gezag te beëindigen is veel te snel genomen. De moeder was in het verleden overbelast en er waren ruzies. Dat gebeurt nu niet meer. De moeder moet een kans krijgen.
De motivering van de beslissing
3.9.
Het hof overweegt het volgende.
3.9.1.
Ingevolge artikel 1:266 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien:
een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
de ouder het gezag misbruikt.
3.9.2.
Gelet op de voorhanden gegevens en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is het hof van oordeel dat de kinderen zodanig opgroeien dat zij in hun ontwikkeling ernstig worden bedreigd als bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro. De opvoedsituatie bij de moeder in het verleden was onveilig en heeft forse schade aangericht bij de kinderen. In die opvoedsituatie was immers sprake van huiselijk geweld, verwaarlozing, psychische en emotionele mishandeling, en stalking door de vader. Hierdoor is de veiligheid van de kinderen in gevaar gebracht. Door de crisis uithuisplaatsing, terugplaatsing en een tweede uithuisplaatsing ontbreekt het [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] aan duidelijkheid, voorspelbaarheid en veiligheid. De moeder is vanwege haar verstandelijke beperking en persoonlijke problematiek niet in staat de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van haar kinderen te dragen binnen een voor de ontwikkeling van de kinderen aanvaardbaar te achten termijn.
[minderjarige 1] liet zien dat hij zich erg verantwoordelijk voelde voor zijn moeder en zusjes. Hij had als het ware een ouderrol op zich genomen. [minderjarige 1] wilde graag bij opa en oma wonen. Hij woont daar nu en dat gaat goed; hij kan daar weer kind zijn en ontwikkelt zich goed. Het is in het belang van [minderjarige 1] dat hij duidelijkheid krijgt over zijn perspectief en dat hij weet dat hij bij opa en oma verder kan opgroeien.
[minderjarige 2] heeft veel zorg nodig. Ze laat een grote controlebehoefte zien, weigert voeding en heeft veel sturing en grenzen nodig. [minderjarige 2] zal niet voor regulier onderwijs in aanmerking komen. [minderjarige 2] is nu aan het landen in het gezinshuis waar ze verblijft.
[minderjarige 3] heeft hechtingsproblematiek maar ontwikkelt zich goed in het pleeggezin en zij heeft niet de extra zorg nodig van een gezinshuis. Dat is ook de reden dat zij niet samen geplaatst is met [minderjarige 2] maar in een pleeggezin. [minderjarige 3] ontwikkelt zich daar goed.
3.9.3.
Het hof ziet dat de moeder erg veel van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] houdt en ze erg mist. Het hof ziet echter ook dat de moeder voor nu maar ook voor de toekomst onmachtig is om aan de noodzakelijke opvoedbehoeften van de kinderen te kunnen voldoen. De verstandelijke vermogens van de moeder liggen op de grens van licht verstandelijk beperkt en zwak begaafd. Ook heeft de moeder een angststoornis, een borderline persoonlijkheidsstoornis en gedraagt zij zich in sociaal-emotioneel opzicht jong en egocentrisch. De aangeboden hulp wordt onvoldoende aanvaard en beklijft niet goed. De moeder kan zich niet neerleggen bij de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en is niet in staat om hen emotionele toestemming te verlenen om op te groeien daar waar ze nu wonen. Dat de beslissing tot gezagsbeëindiging voor de moeder gevoelsmatig te snel is gekomen, hangt ook daar mee samen.
3.9.4.
Gelet op het vorenstaande acht het hof het nodig dat het gezag van de moeder over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wordt beëindigd.
Omdat het perspectief niet meer bij de moeder ligt, is een plaatsing in een moeder-kind huis niet meer aan de orde is.
3.9.5.
De beslissing laat onverlet dat de moeder de ouder blijft van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Er moet blijvend worden gekeken naar de mogelijkheden om [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] omgang met de moeder en met elkaar te laten hebben. Hier ligt een duidelijke taak voor de GI.
3.10.
Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

4.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 17 september 2021, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Bossink , E.P. de Beij en M.J.C. van Leeuwen en is op 24 februari 2022 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.