Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2022:518

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
27 januari 2022
Publicatiedatum
21 februari 2022
Zaaknummer
20-000751-20
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 onder B OpiumwetArt. 36e SrArt. 378a SvArt. 511c SvArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betrokkene opgelegd tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens overtreding Opiumwet

Betrokkene werd door de politierechter veroordeeld wegens opzettelijk handelen in strijd met het verbod van artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet en diefstal met braak in de periode april 2016 tot januari 2017. De politierechter legde een betalingsverplichting op van €48.578,37 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

In hoger beroep stelde de advocaat-generaal voor het bedrag vast te stellen op €24.000,- en dit bedrag aan betrokkene op te leggen. De verdediging sloot zich hierbij aan. Het hof vernietigde het vonnis waarvan beroep en stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €24.000,-. Tevens legde het hof een betalingsverplichting op voor dit bedrag.

Het hof benadrukte dat het hier niet ging om een formele schikking volgens artikel 511c Sv, maar dat er wel een informeel overleg had plaatsgevonden tussen partijen waarbij voldoende informatie was uitgewisseld en zonder dwang tot overeenstemming was gekomen. Daarnaast bepaalde het hof de duur van de gijzeling die maximaal 480 dagen kan bedragen, conform de wettelijke normen.

De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en werd op 27 januari 2022 door het hof 's-Hertogenbosch uitgesproken.

Uitkomst: Betrokkene is veroordeeld tot betaling van €24.000 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel met een maximale gijzeling van 480 dagen.

Uitspraak

Parketnummer : 20-000751-20 OWV
Uitspraak : 27 januari 2022
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 25 oktober 2018 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01-105028-18 tegen:

[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
wonende te [woonplaats] , van [adres]
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de politierechter aan betrokkene de verplichting tot betaling aan de Staat opgelegd van een geldbedrag ter grootte van 48.578,37, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Van de zijde van de betrokkene is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de betrokkene naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen, het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel zal vaststellen op € 24.000,- en aan betrokkene een betalingsverplichting zal opleggen voor dat bedrag.
De verdediging heeft zich achter de vordering van de advocaat-generaal geschaard.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeling
De betrokkene is bij onherroepelijk (verstek)vonnis van de politierechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 25 oktober 2018 onder parketnummer 01-105028-18 veroordeeld wegens -kort gezegd- (1) opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, op 13 januari 2017, en (2) diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak, in de periode van 26 april 2016 tot en met 12 januari 2017.
Afdoening
De advocaat-generaal heeft in hoger beroep gevorderd dat het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 24.000,- en dat aan betrokkene een betalingsverplichting wordt opgelegd voor dat bedrag. Op initiatief van de verdediging is met het openbaar ministerie, voorafgaand aan de terechtzitting, overleg gevoerd om te bezien of er tot een gezamenlijk standpunt kon worden gekomen ter zake de ontneming.
De raadsman van betrokkene heeft op de terechtzitting in hoger beroep het door de advocaat-generaal genoemde voorafgaande overleg bevestigd. Daarnaast heeft de betrokkene ter zitting zich achter de vaststelling en oplegging van dit bedrag geschaard. De verdediging heeft verzocht dat het hof de informele schikking tussen partijen zal bekrachtigen en zal komen tot een vaststelling van wederrechtelijk voordeel van € 24.000,-.
Het hof overweegt omtrent het door de advocaat-generaal gevorderde en het door de raadsman voorgestelde als volgt.
Het hof hecht eraan op te merken dat het in de onderhavige zaak niet gaat om een schikking in de zin van artikel 511c van het Wetboek van Strafvordering. De in dat artikel geregelde situatie ziet op de totstandkoming van een schriftelijke schikking tussen het openbaar ministerie en de betrokkene zolang het onderzoek ter terechtzitting bij de rechtbank nog niet is gesloten.
Het hof heeft zich ter terechtzitting ervan vergewist dat de verdediging en de advocaat-generaal over en weer aan elkaar voldoende en duidelijke informatie hebben verstrekt ten aanzien van hetgeen werd beoogd. De verdediging en de advocaat-generaal hebben voldoende tijd gehad om weloverwogen tot een voorstel te komen en hebben zonder dwang deelgenomen aan het daaraan voorafgaand overleg en hebben zich rekenschap gegeven van de inhoud, de strekking en de consequenties van hun voorstel.
Gelet op het voorgaande ziet het hof geen aanleiding om anders te beslissen dan de advocaat-generaal heeft gevorderd en de verdediging heeft voorgesteld.
Het hof stelt het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vast op een bedrag van
€ 24.000,- en zal aan betrokkene een betalingsverplichting opleggen voor dat bedrag.
Gijzeling
Met ingang van 1 januari 2020 is het nieuwe elfde lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht direct van toepassing geworden. Het hof zal daarom bij het opleggen van de maatregel ook de duur van de gijzeling bepalen die, met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering, in dit geval ten hoogste kan worden gevorderd. Bij het bepalen van de duur wordt overeenkomstig de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting voor elke volle € 50,- van het opgelegde bedrag niet meer dan één dag gerekend. De duur beloopt ten hoogste drie jaar.
Toepasselijk wettelijk voorschrift
De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens gold dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens geldt.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van €
24.000,00 (vierentwintigduizend euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 24.000,00 (vierentwintigduizend euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 480 dagen.
Aldus gewezen door:
mr. P.T. Gründemann, voorzitter,
mr. A.J.A.M. Nieuwenhuizen en mr. J.J.J. Wubben, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. V.C. Minneboo, griffier,
en op 27 januari 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. J.J.J. Wubben is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.