Op 9 april 2021 werd verdachte te Eindhoven betrokken bij medeplegen van een overtreding van de verbodsbepaling van artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wet op de Kansspelen. De kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant veroordeelde verdachte, waarna hoger beroep werd ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.
Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter en de eerder uitgevaardigde strafbeschikking van 13 december 2021. Vervolgens deed het hof opnieuw recht en veroordeelde verdachte tot een geldboete van €250 en vijf dagen hechtenis, waarbij de hechtenis kan worden vervangen door twee jaren indien de boete niet wordt betaald. De geldboete zal niet ten uitvoer worden gelegd tenzij verdachte zich binnen de proeftijd aan een nieuw strafbaar feit schuldig maakt.
Deze uitspraak is gedaan op 13 december 2022 door de enkelvoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch, waarbij de toepasselijke wetsartikelen uit het Wetboek van Strafrecht en de Wet op de Kansspelen werden toegepast.