Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.De Lucht Tankstations B.V.,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
Houdstermaatschappij Reuzer III B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
Hotel Café Restaurant De Lucht B.V.gevestigd te [vestigingsplaats] ,
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/292346 HA ZA 15-265)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties 1-2;
- de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens houdende memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep, tevens houdende akte wijziging van de eis, met producties 1-18;
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep, tevens antwoordakte wijziging eis met producties 3-8;
- de mondelinge behandeling van 9 februari 2022, waarbij partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd;
- de bij brief van 20 januari 2022 door mr. Van Heijningen toegezonden producties 19-39, die bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding zijn gebracht;
- de bij brief van 25 januari 2022 door mr. Van Heijningen aangepaste versie van productie 35, die bij de mondelinge behandeling bij akte in het geding is gebracht.
3.De beoordeling
‘de gehele percelen grond thans kadastraal bekend gemeente Kerkwijk, sectie [sectieletter 1] , nummers [sectienummer 1] , [sectienummer 2] , [sectienummer 3] , [sectienummer 4] , [sectienummer 5] , [sectienummer 6] , [sectienummer 7] , [sectienummer 8] , [sectienummer 9] , [sectienummer 10] , [sectienummer 11] , [sectienummer 12] , [sectienummer 13] en [sectienummer 14] , totaal groot een hectare dertig aren vierentachtig centiaren en tegen een canon van vijftigduizend zeshonderdtien gulden (f 50.610,00) per jaar’.
‘een perceel gelegen aan [straatnaam] te [plaats] , kadastraal bekend gemeente Kerkwijk, sectie [sectieletter 1] , nummer [sectienummer 15] , groot vijfentwintig aren negentig centiaren (00.25.90 ha)’is geleverd aan Rijkswaterstaat tegen betaling van een koopsom van € 262.500,-.
Bij wijziging van de huidige effluentstromen zal deze verdeelsleutel in onderling overleg worden aangepast’overbodig. Vaststaat dat op 22 april 2009 benzinestation Oost is gesloopt en de exploitatie is beëindigd (3.1.9). De beëindiging van de exploitatie van benzinestation Oost heeft een wijziging in de effluentstromen tot gevolg, zodat conform het bepaalde in artikel 9 sub c van Pro de splitsingsovereenkomst de verdeelsleutel zal moeten worden aangepast. Dat de omvang van de effluentstroom van DLR op zichzelf niet is gewijzigd, betekent niet dat de effluentverhoudingen en vervolgens de verdeelsleutel met de beëindiging van de exploitatie van benzinestation Oost niet worden geraakt.
‘in onderling overleg’de verdeelsleutel wordt aangepast, maakt dat niet anders. Het is immers de wijziging in de effluentstromen die contractueel de aanleiding is voor het aanpassen van de verdeelsleutel. Het daarover te voeren onderlinge overleg is daarvan slechts het gevolg. Dat rechtvaardigt naar het oordeel van het hof dat voor de ingangsdatum wordt aangesloten bij de datum waarop de effluentstromen wijzigen. Grief 2 in principaal hoger beroep slaagt. Grief 4 in het incidentele hoger beroep faalt in zoverre.
“opbrengsten van de zuivering”valt de opbrengst van de zendmast op het perceel van de RWZI. Het hof verwijst allereerst naar de hiervoor in 3.9 weergegeven Haviltex-maatstaf. Deze maatstaf neemt het hof ook hier tot uitgangspunt.
“onder de opbrengsten wordt vermeld de zendmast”(3.1.2). De zendmast is ook vermeld in een concept gebruikersovereenkomst van 26 september 2005 van DLT (productie 74 bij brief van 14 augustus 2017 DLR). DLT bestrijdt ook niet dat het zo is besproken bij de vergadering op 14 juli 2005, maar stelt dat dit onderwerp de uiteindelijke splitsingsovereenkomst niet heeft gehaald. DLT heeft evenwel verzuimd de notulen van de daaropvolgende nog gehouden vergaderingen of andere documenten over te leggen, waaruit blijkt dat dit onderwerp is geschrapt en/of is uitgeruild tegen ‘erfpacht [plaats] ’. Dat er na 14 juli 2005 nog is onderhandeld en dat er wijzigingen zijn doorgevoerd, bijvoorbeeld ten aanzien van ‘erfpacht [plaats] ’, legt onvoldoende gewicht in de schaal. Van een uitruil van de zendmast met de ‘erfpacht [plaats] ’ blijkt niet. Uit de werkdocumenten bij productie 57, die incompleet en niet geheel leesbaar door DLT zijn overgelegd, kan niet meer worden afgeleid dan dat er verschillende aanpassingen ten opzichte van de uiteindelijke splitsingsovereenkomst hebben plaatsgevonden, maar daaruit volgt niet dat de gemaakte afspraak over de zendmast is vervallen of achterhaald is. Bij zijn oordeel betrekt het hof voorts dat DLR onderbouwd heeft gesteld (productie 34 bij brief mr. Van Heijningen aan het hof van 20 januari 2022) dat vóór de splitsing de zendmast onder de opbrengsten van de RWZI viel. Dit is niet, althans onvoldoende, door DLT betwist. Ook hierin ziet het hof bevestiging voor het standpunt van DLR dat het de bedoeling is geweest van partijen dat de bestaande praktijk dat de opbrengsten van de zendmast werden meegenomen bij de opbrengsten van de RWZI, werd voortgezet.
“De overige nutsvoorzieningen zoals gas, telefoon, elektriciteit en water zullen ieder voor eigen rekening door middel van zelfstandige aansluitcontracten worden voortgezet”.Het hof ziet hierin geen aanknopingspunt voor de vordering van DLR ten aanzien van de afvalwaterstromen, nog los van het beroep van DLT op verjaring en rechtsverwerking. Wat betreft de door DLR gestelde onrechtmatige daad is dit, in het licht van het gemotiveerde verweer van DLT, onvoldoende door DLR onderbouwd.
“deling van de eigen grond”enkel wordt gedoeld op de koopsom voor de waarde van de grond, zoals DLT bepleit, of dat bedoeld wordt de totale opbrengst van het perceel [sectienummer 15] , zoals DLR betoogt.
“opbrengsten”niet de gehele koopsom die uiteindelijk van de Staat is ontvangen, zou omvatten. Daarbij merkt het hof op dat ook in artikel 13 van Pro de koopovereenkomst (3.1.6) wordt vermeld
‘vergoedingen voor werken door De Lucht aangelegd’. Nu vaststaat dat de investeringen ruim vóór de splitsing zijn gedaan, ligt voor de hand dat, gelet op de in artikel 7 gemaakte Pro afspraak in de splitsingsovereenkomst, beide partijen meedelen in de opbrengsten zoals deze zijn gerealiseerd met de verkoop van perceel [sectienummer 15] .
“opbrengsten”. Voor toewijzing van de wettelijke handelsrente over het te betalen bedrag van € 110.925,- ziet het hof geen grond, nu de betaling van het bedrag voortvloeit uit artikel 7 van Pro de splitsingsovereenkomst.
“De koper verklaart nadrukkelijk zich ten opzichte van de Staat der Nederlanden te verbinden tot betaling van de jaarlijkse canon voor het onderhavige erfpachtsrecht welk bedrag thans nader is vastgesteld op een bedrag van drieëntwintigduizend vijfhonderdzesennegentig euro en zevenenvijftig eurocent
reeds betaaldecanon door partijen in onderling overleg zal plaatsvinden. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien dat op basis hiervan DLT dient bij te dragen in de door DLR vanaf 2007 verschuldigde toekomstige termijnen van erfpachtcanon. Ook het beroep op de brief van Domeinen van 20 maart 2006 (productie 16 bij memorie van antwoord) kan DLR niet baten, nu de voorwaarde die daarin wordt gesteld betrekking heeft op Hotel Café Restaurant De Lucht B.V. als de toen geldende “huidige” erfpachter en Reuzer III als nieuwe erfpachter. Reuzer III is evenwel niet meer de erfpachter, dat is DLR.
“De erfpacht benzinestations is o.a. verbonden aan het aantal liters en de erfpacht horeca is verbonden aan vierkante meters (m2).”
“de erfafscheiding op westzijde zal circa 4 meter uit de noordgevel van het restaurant liggen”. Dit is door DLR bevestigd (conclusie van antwoord in reconventie nr. 2.56). Blijkens het proces-verbaal van de comparitie op 20 juni 2019 heeft [persoon H] namens DLR verklaard dat voor een klein deel zelfs het tankstation van DLT op [sectienummer 6] is gebouwd. Gelet op deze feitelijke situatie kan het niet anders dan dat met opname van de hiervoor weergegeven frase in artikel 7 splitsingsovereenkomst tussen partijen is overeengekomen dat DLT dit gedeelte van perceel [sectienummer 6] mag gebruiken. Voor zover DLR meent dat op basis van de nadere afspraak omtrent verrekening van de reeds betaalde canon DLT een vergoeding verschuldigd is aan DLR, kan zij hierin niet worden gevolgd (vgl. 3.49). Nu in de splitsingsovereenkomst in artikel 7 tussen Pro partijen is overeengekomen dat DLT gebruik mag maken van dit gedeelte van perceel [sectienummer 6] , kan de vordering tot ontruiming niet worden toegewezen. Grief 2 in het incidenteel hoger beroep faalt.