Uitspraak
[jongmeerderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2004 (hierna: [jongmeerderjarige] ),
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2006 (hierna: [minderjarige] ),
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Deze zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Limburg inzake de vaststelling van kinderalimentatie voor twee kinderen, een jongmeerderjarige en een minderjarige. De vrouw en de man waren tot 2014 een relatie aangegaan en hebben samen twee kinderen. Na de relatie is een co-ouderschapsregeling overeengekomen waarbij geen kinderalimentatie werd betaald, maar wel een maandelijkse bijdrage per kind.
De vrouw verzocht in hoger beroep om vernietiging van de beschikking van de rechtbank en vaststelling van hogere alimentatiebedragen met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 2020. De man verzocht het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren of af te wijzen en stelde dat de rechtbank de juiste ingangsdatum had vastgesteld op 1 augustus 2021.
Tijdens de mondelinge behandeling bereikten partijen overeenstemming over de kinderalimentatie voor de minderjarige, maar bleven zij verdeeld over de ingangsdatum van de alimentatiebetalingen. Het hof overwoog dat de vrouw onvoldoende had aangetoond dat zij vanaf 1 juli 2020 een te groot deel van de kosten had gedragen en dat de late indiening van het verzoek tot wijziging de terugwerkende kracht niet rechtvaardigde.
Het hof bevestigde daarom de ingangsdatum van 1 augustus 2021 en vernietigde de bestreden beschikking voor zover het de bijdrage voor de minderjarige betrof. De bijdrage werd vastgesteld op €135,- per maand vanaf 1 augustus 2021 en €137,- vanaf 1 januari 2022. De rest van de beschikking werd bekrachtigd. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het hof stelt de ingangsdatum van de kinderalimentatie vast op 1 augustus 2021 en bepaalt de bijdrage van de vader aan de moeder voor de minderjarige op €135,- per maand vanaf die datum.