ECLI:NL:GHSHE:2022:4548

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
4 november 2022
Publicatiedatum
20 december 2022
Zaaknummer
20-000727-22
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wegenverkeerswet 1994Art. 176 Wegenverkeerswet 1994Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep wegens overtreding Wegenverkeerswet met taakstraf en schadevergoeding

In hoger beroep is het vonnis van de politierechter in Maastricht van 17 maart 2022 herzien. De verdachte werd bewezenverklaard van overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994, gepleegd op 15 januari 2021 te Maastricht.

Het hof vernietigt het eerdere vonnis voor zover het oordeel aan het hof is voorbehouden en doet opnieuw recht. De verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 10 uur, met een vervangende hechtenis van 5 dagen indien de taakstraf niet wordt uitgevoerd. Tevens wordt een proeftijd van 2 jaar opgelegd waarin de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de verdachte zich schuldig maakt aan een nieuw strafbaar feit.

Daarnaast wijst het hof de vordering van de benadeelde partij toe tot een schadevergoeding van €1.153,87 voor materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 15 januari 2021. De verdachte wordt verplicht deze vergoeding aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer. De duur van gijzeling voor niet-betaling wordt gesteld op maximaal 21 dagen. Tevens wordt bevestigd dat de taakstraf van 20 uur uit een eerdere zaak onder parketnummer 03-158937-20 gehandhaafd blijft.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 10 uur taakstraf, 5 dagen hechtenis als vervanging en €1.153,87 schadevergoeding met wettelijke rente.

Uitspraak

Parketnummer: 20-000727-22

Uitspraak : 4 november 2022
TEGENSPRAAK (art. 279 WvSv Pro)
Arrest van de enkelvoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, van 17 maart 2022, in de strafzaak onder parketnummer 03-013410-21 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,
verblijfadres: [adres] ,
thans blijkens mededeling van de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep,
uit anderen hoofde gedetineerd in een Penitentiaire Inrichting in België.
Kwalificatie
Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994.
Gepleegd op 15 januari 2021 te Maastricht.
Toegepaste wetsartikelen
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 36f van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:
Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 03-013410-21 bewezenverklaarde:
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
10 (tien) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
5 (vijf) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 1.153,87 (duizend honderddrieënvijftig euro en zevenentachtig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 1.153,87 (duizend honderddrieënvijftig euro en zevenentachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 21 (eenentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 15 januari 2021.
Strafbepaling op grond van artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering in de zaak met parketnummer 03-158937-20:
Bepaalt de door de politierechter in de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, opgelegde straf voor het onder parketnummer 03-158937-20 bewezenverklaarde op een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.
Dit arrest is mondeling gewezen door mr. J.J.M. Gielen-Winkster.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 november 2022.