De zaak betreft een hoger beroep in een kort geding over de nakoming van een zorgregeling voor een minderjarige na het verbroken van de relatie tussen de ouders. De rechtbank Limburg had eerder een zorgregeling vastgesteld waarbij de minderjarige bij de vader verblijft volgens een vastgesteld rooster.
De moeder voert sinds april 2022 de zorgregeling niet uit vanwege zorgen over de veiligheid van het kind bij de vader. De vader vorderde nakoming van de zorgregeling met een dwangsom bij niet-nakoming. De voorzieningenrechter veroordeelde de moeder tot nakoming en legde een dwangsom op.
De moeder kwam in hoger beroep met een incident tot schorsing van de uitvoerbaarheid van het vonnis. Het hof oordeelde dat geen sprake is van misbruik van bevoegdheid door de vader en dat de moeder onvoldoende heeft onderbouwd waarom de uitvoerbaarheid geschorst zou moeten worden. De vordering tot schorsing wordt afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd. De hoofdzaak wordt aangehouden voor verdere behandeling.