Belanghebbende maakte aanspraak op een hogere aftrek van specifieke zorgkosten in de inkomstenbelasting over 2016, met name voor extra uitgaven aan kleding, beddengoed en vervoerskosten vanwege huideczeem van zijn dochter. De inspecteur had de aanslag opgelegd met een beperkte aftrek en weigerde de extra kosten.
De rechtbank had het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, waarna belanghebbende hoger beroep instelde. Tijdens de zitting overhandigde belanghebbende medische verklaringen, maar het hof oordeelde dat deze onvoldoende bewijs leverden dat daadwerkelijk extra kosten zijn gemaakt. De inspecteur betwistte onder meer het gebruik van voorgeschreven zalf en de omvang van vervoerskosten.
Het hof overwoog dat de forfaitaire aftrek voor kleding en beddengoed alleen geldt indien aannemelijk is dat extra kosten voortvloeien uit een ziekte die ten minste een jaar duurt. De medische verklaring volstond niet om dit aan te tonen. Ook de vervoerskosten werden niet aannemelijk gemaakt, mede omdat belanghebbende niet kon onderbouwen dat openbaar vervoer werd gebruikt.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde eveneens, omdat eerdere toekenningen niet automatisch recht geven op aftrek in latere jaren zonder voldoende bewijs. Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.