ECLI:NL:GHSHE:2022:402

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
1 februari 2022
Publicatiedatum
14 februari 2022
Zaaknummer
20-003997-18
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep mensensmokkel door verdachte met minderjarige personen

In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 1 februari 2022 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Oost-Brabant. De verdachte, geboren in 1983, was eerder veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, voor mensensmokkel. De verdachte en de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis. De advocaat-generaal vorderde een gevangenisstraf van 14 maanden, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte. Het hof heeft het beroep van de verdachte in zoverre gegrond verklaard dat het vonnis van de rechtbank is vernietigd. Het hof kwam tot de conclusie dat de verdachte niet bewezen kon worden dat zij het onder 1 tenlastegelegde feit had begaan, maar achtte de feiten 2 en 3 wel bewezen. De verdachte was betrokken bij het helpen van minderjarige personen bij hun toegang tot of doorreis door Nederland, waarbij gebruik werd gemaakt van de paspoorten van haar eigen kinderen. Het hof oordeelde dat de verdachte en haar medeverdachte, haar partner, in nauwe samenwerking handelden. De verdachte werd veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden en een taakstraf van 192 uren, waarbij het hof rekening hield met de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure.

Uitspraak

Parketnummer : 20-003997-18
Uitspraak : 1 februari 2022
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van
11 december 2018, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, in de strafzaak met parketnummer
01-880359-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats/land] op [geboortedag verdachte] 1983,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van feiten 1 en 2, telkens gekwalificeerd als ‘mensensmokkel, terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen’ en feit 3, gekwalificeerd als ‘mensensmokkel, terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en de verdachte ter zake van het door de rechtbank bewezenverklaarde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden.
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte van de gehele tenlastelegging zal worden vrijgesproken.
Vonnis waarvan beroep
Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank. Het hof kan zich niet verenigen met de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde feit.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.
zij in of omstreeks de periode van 01 december 2016 tot en met 13 december 2016 te Amsterdam en/of Emmen en/of Tegelen en/of elders in Nederland en/of Griekenland en/of Duitsland en/of elders in Europa,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
een ander of anderen, te weten [betrokkene] , behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen, in elk geval een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad,
of haar daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft,
immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s)
- die [betrokkene] begeleid op haar reis via Nederland naar Duitsland en/of
- een identiteitsbewijs/vluchtelingenpaspoort op naam van haar, verdachte, ter beschikking gesteld ten behoeve van de reis van die [betrokkene]
terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was;
2.
zij in of omstreeks de periode van 01 november 2016 tot en met 17 november 2016 te Amsterdam en/of Eindhoven en/of elders in Nederland en/of Athene, althans in Griekenland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
een ander of anderen, te weten een (minderjarig) NN-persoon, behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen, in elk geval een staat die is toegetreden tot het op
15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad,
of hem/haar daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft,
immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s):
- die (minderjarige) NN-persoon begeleid op zijn/haar reis van Griekenland naar Nederland en/of
- een identiteitsbewijs op naam van [zoon verdachte] (zijnde de zoon van verdachte) ter beschikking gesteld aan die (minderjarige) NN-persoon ten behoeve van de reis van die (minderjarige) NN-persoon
terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was;
3.
zij in of omstreeks de periode van 01 oktober 2016 tot en met 5 oktober 2016 te Eindhoven en/of elders in Nederland en/of Athene, althans in Griekenland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
een ander of anderen, te weten twee, althans een (minderjarige) NN-perso(o)n(en), behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen, in elk geval een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad,
of hem/haar/hen daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft,
immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s):
- die (minderjarige) NN-perso(o)n(en) begeleid van Griekenland naar Nederland en/of
- ( een) identiteitsbewijs/identiteitsbewijzen op naam van [zoon verdachte] en/of [dochter verdachte] (zijnde de zoon en dochter van verdachte) ter beschikking gesteld aan die (minderjarige) NN-perso(o)n(en) ten behoeve van de reis van die (minderjarige) NN-perso(o)n(en)
terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak van feit 1
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan. In het bijzonder heeft het hof op basis van het dossier niet buiten redelijke twijfel kunnen vaststellen of – en in hoeverre – de verdachte betrokken is geweest bij het ter beschikking stellen van haar paspoort aan de gesmokkelde [betrokkene] . Nu het hof niet bewezen acht dat de verdachte een bijdrage heeft geleverd aan het onder 1 tenlastegelegde, zal zij daarvan worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
2.
zij in de periode van 01 november 2016 tot en met 17 november 2016 in Nederland en Griekenland, tezamen en in vereniging met een ander,
een ander, te weten een minderjarig NN-persoon, behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen, in elk geval een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad,
of hem daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft,
immers hebben verdachte en haar mededader:
- die minderjarige NN-persoon begeleid op zijn reis van Griekenland naar Nederland en
- een identiteitsbewijs op naam van [zoon verdachte] , zijnde de zoon van verdachte, ter beschikking gesteld aan die minderjarige NN-persoon ten behoeve van de reis van die minderjarige NN-persoon
terwijl zij, verdachte, en haar mededader wisten of ernstige redenen hadden te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was;
3.
zij in de periode van 01 oktober 2016 tot en met 5 oktober 2016 in Nederland en Griekenland, tezamen en in vereniging met een ander,
anderen, te weten twee minderjarige NN-personen, behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen, in elk geval een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad,
of hen daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft,
immers hebben verdachte en haar mededader:
- die minderjarige NN-personen begeleid van Griekenland naar Nederland en
- identiteitsbewijzen op naam van [zoon verdachte] en [dochter verdachte] , zijnde de zoon en dochter van verdachte, ter beschikking gesteld aan die minderjarige NN-personen ten behoeve van de reis van die minderjarige NN-personen
terwijl zij, verdachte, en haar mededader wisten of ernstige redenen hadden te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk was.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen [1]
Ten aanzien van feit 2 en 3 (respectievelijk zaakdossiers 3 en 4)
1.
De verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] bij de Koninklijke Marechaussee d.d. 21 november 2017, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende [2] :
Mijn naam is [medeverdachte 1] . De IND spelde mijn naam anders, zij noemden mij [medeverdachte 1] .
Mijn vrouw, mijn kinderen en ik wonen op de [adres] . Mijn vrouw heet [verdachte] . [geboortedag verdachte] 1983 is haar geboortedatum. Mijn zoon heet [zoon verdachte] en is geboren op [geboortedag zoon] 2012, mijn dochter heet [dochter verdachte] en is geboren op [geboortedag dochter] 2010. Beiden heten [achternaam] .
Mijn telefoonnummer is [telefoonnummer 1] . Het is mijn telefoon. Ik gebruik deze alleen. Ik leen hem ook niet uit.
2.
De verklaring van de verdachte bij de Koninklijke Marechaussee d.d. 27 november 2017, voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende [3] :
Ik ben getrouwd met [medeverdachte 1]
(het hof begrijpt: de medeverdachte [medeverdachte 1] )en wij hebben twee kinderen genaamd [dochter verdachte] en [zoon verdachte] .
Als [medeverdachte 1] mij zegt dat ik op een kind moet passen dan doe ik dat en dan stel ik geen vragen. Het klopt dat ik de eerste keer met twee andere kinderen ben terug gevlogen vanuit Athene en de tweede keer met één ander kind. Ik ken deze kinderen niet. Als [medeverdachte 1] mij vraagt om op een kind te letten dan doe ik dat of dat het mijn eigen kinderen zijn. Ik weet niet waar deze kinderen zijn. Wij zijn wel alleen die kant op gereisd en met andere kinderen, waar ik van [medeverdachte 1] op moest passen, terug gekomen.
Ten aanzien van feit 2 (zaaksdossier 3)
3.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 januari 2017, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende [4] :
Uit bevraging bij de luchtvaartmaatschappij Transavia is gebleken dat [verdachte] en [medeverdachte 1] op 17 november 2016 vanuit Athene naar Amsterdam zijn gevlogen met vluchtnummer [nummer 1] .
4.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 januari 2017, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] , voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende [5] :
Uit de gevorderde gegevens van de luchtvaartmaatschappij Transavia is gebleken dat er op naam van [verdachte] en [medeverdachte 1] in de maanden oktober 2016 en november 2016 vijf vluchten bij Transavia zijn gereserveerd en betaald. Uit de reserverings-/boekingsnummers [nummer 2] en [nummer 3] is gebleken dat:
  • er voor de heenreis op 14 november 2016 op de namen [verdachte] en [medeverdachte 1] een vlucht vanaf Eindhoven naar Athene is geboekt en betaald;
  • er voor de terugreis op 17 november 2016 op de namen [verdachte] , [medeverdachte 1] en [zoon verdachte] een vlucht vanaf de luchthaven Athene naar Schiphol is geboekt en betaald.
5.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 december 2017, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] , voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende [6] :
Op 8 augustus 2017 zijn diverse passagierslijsten gevorderd bij Transavia Airlines en Aegean Airlines waaronder de passagierslijsten van Transavia vluchten tussen Eindhoven en Athene.
Op 14 augustus 2017 werd de opgevraagde informatie verstrekt door de maatschappijen. Uit deze informatie bleek dat:
  • een persoon genaamd [medeverdachte 1] (
  • dat personen genaamd [medeverdachte 1] , [verdachte] en [zoon verdachte] een vlucht hadden geboekt voor 17 november 2016 vanuit Athene naar Amsterdam. Deze personen hadden hetzelfde boekingsnummer, namelijk [nummer 3] .
6.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 maart 2017, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] , voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende [7] :
Op 20 januari 2017 zijn de gevorderde historische gegevens voor het Nederlandse telefoonnummer [telefoonnummer 1] door de provider verstrekt. Hieruit is het volgende gebleken. Op 14 november 2016 worden in de ochtend een aantal masten in Geldrop en Eindhoven aangestraald. Omstreeks 14:13 uur wordt de mast aan de luchthavenweg 57 op de luchthaven Eindhoven aangestraald. Het eerste telefonische contact vindt weer plaats op 17 november 2016, omstreeks 23:48 uur, alwaar een mast op de luchthaven Schiphol wordt aangestraald. Gelet op de laatst aangestraalde locatie, zijnde de luchthaven Eindhoven en de eerstvolgende aangestraalde locatie, zijnde de luchthaven Schiphol, kan worden gesteld dat de gebruiker via de luchthaven Eindhoven Nederland heeft verlaten en retour is gekomen via de luchthaven Schiphol. Bij terugkomst op de luchthaven Schiphol op 17 november 2016 heeft de gebruiker, net zoals bij vertrek, diverse malen telefonisch contact.
Ten aanzien van feit 3 (zaaksdossier 4)
7.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 januari 2017, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] , voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende [8] :
Uit de gevorderde gegevens van de luchtvaartmaatschappij Transavia is gebleken dat er op naam van [verdachte] en [medeverdachte 1] in de maanden oktober 2016 en november 2016 vijf vluchten bij Transavia zijn gereserveerd en betaald. Uit de reserverings/boekingsnummers [nummer 4] en [nummer 5] is gebleken dat:
  • voor de heenreis op 3 oktober 2016 op de namen [verdachte] en [medeverdachte 1] een reis vanaf Eindhoven naar Athene is geboekt en betaald;
  • er voor de terugreis op 5 oktober 2016 op de namen [verdachte] , [medeverdachte 1] en [zoon verdachte] en [dochter verdachte] [achternaam] een reis vanaf Athene naar Eindhoven is geboekt en betaald.
8.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 december 2017, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 3] , voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende [9] :
Op 8 augustus 2017 zijn diverse passagierslijsten gevorderd bij Transavia Airlines en Aegean Airlines waaronder de passagierslijsten van Transavia vluchten tussen Eindhoven en Athene. Op 14 augustus 2017 werd de opgevraagde informatie verstrekt door de maatschappijen. Uit deze informatie bleek dat:
  • een persoon genaamd [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedag medeverdachte] 1981 en een persoon genaamd [verdachte] , geboren op [geboortedag verdachte] 1983 op de vlucht hebben gezeten van 3 oktober 2016 vanuit Eindhoven naar Athene;
  • dat personen genaamd [medeverdachte 1] , [verdachte] , [zoon verdachte] en [dochter verdachte] [achternaam] een vlucht hadden geboekt voor 5 oktober 2016 vanuit Athene naar Eindhoven. Deze personen hebben hetzelfde boekingsnummer, namelijk [nummer 5] .
9.
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 maart 2017, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] , voor zover - zakelijk weergegeven - inhoudende [10] :
Op 20 januari 2017 zijn de gevorderde historische gegevens voor het Nederlandse telefoonnummer [telefoonnummer 1] door de provider verstrekt. Hieruit is het volgende gebleken. Op 3 oktober 2016 wordt omstreeks 13:18 uur de mast aan de Raamveld 1 te Geldrop aangestraald en vervolgens omstreeks 13:54 uur de mast gelegen aan de luchthavenweg 57 op de luchthaven Eindhoven. Op dezelfde dag wordt omstreeks 15:24 uur het laatste gesprek van die dag geregistreerd, waarbij tevens de mast op de luchthaven Eindhoven wordt aangestraald. Op 5 oktober 2016, omstreeks 13:59 uur wordt de mast op de luchthaven Eindhoven weer aangestraald en omstreeks 15:40 uur wordt de mast aan het Raamveld 1 te Geldrop weer aangestraald. Gelet op het feit dat er vanaf 3 oktober 2016 om 15:24 tot 5 oktober 2016 om 13:59 uur geen telefonisch contact is geregistreerd bij de provider, alsmede de locaties van de aangestraalde masten, kan worden gesteld dat de gebruiker via de luchthaven Eindhoven, Nederland heeft verlaten.
Op 5 oktober 2016 wordt omstreeks 16:37 uur de mast bij Venlo aangestraald.
Het eerstvolgende telefonisch contact werd op 6 oktober 2016 omstreeks 19:34 uur door de provider geregistreerd, waarbij een mast in Helenaveen werd aangestraald. Omstreeks 20:59 uur wordt de mast aan het Raamveld 1 te Geldrop weer aangestraald.
Uit de bovenstaande gegevens kan worden opgemaakt dat de gebruiker vrijwel direct na terugkomst op de luchthaven op 5 oktober 2016 door is gegaan naar de grensovergang met Duitsland.
Bewijsoverwegingen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
II.
Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het onder 2 en 3 tenlastegelegde. De verdachte ontkent stellig zich schuldig te hebben gemaakt aan mensensmokkel. De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte en haar echtgenoot in de onder 2 en 3 van de tenlastelegging vermelde periodes niet met onbekende minderjarigen, maar met hun eigen kind(eren) hebben gereisd. Uit de stukken die door de verdediging zijn overgelegd met betrekking tot de school van de kinderen van de verdachte en medeverdachte blijkt dat voor hun kind(eren) verlof is aangevraagd voor die periodes. Ten aanzien van de verklaring die de verdachte op 27 november 2017 tegenover de Koninklijke Marechaussee heeft afgelegd, heeft de raadsman betoogd dat de verdachte onder de indruk was van de inval door de politie, vragen niet goed heeft begrepen, meerdere keren op het verschoningsrecht gewezen moest worden en dat het ging over zaken die een jaar eerder speelden. De verdachte heeft nimmer gezegd dat ze gesmokkelde kinderen bij zich had. Het waren haar eigen kinderen, aldus de raadsman.
Het hof overweegt als volgt.
Op grond van de feiten en omstandigheden, zoals die blijken uit de bovenstaande bewijsmiddelen, stelt het hof vast dat de verdachte en haar echtgenoot [medeverdachte 1] tezamen en in vereniging in de periode van 1 november 2016 tot en met 17 november 2016 (feit 2) respectievelijk 1 oktober 2016 tot en met 5 oktober 2016 (feit 3) twee onbekend gebleven minderjarige personen respectievelijk een onbekend gebleven minderjarige persoon behulpzaam zijn geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland en Griekenland, waarbij gebruik is gemaakt van de paspoorten van hun eigen kinderen.
Dat het bij de in de bewijsmiddelen genoemde vluchten vanuit Athene ( [nummer 3] en [nummer 5] ) zou gaan om de eigen kinderen van de verdachte en medeverdachte is voor het hof geenszins aannemelijk geworden. Weliswaar zijn door de verdediging ter terechtzitting in eerste aanleg en ook in hoger beroep stukken ingebracht waaruit zou kunnen blijken dat de kinderen in de hiergenoemde periodes verlof hadden, maar daaraan kan niet de gevolgtrekking worden verbonden dat de kinderen zich ook daadwerkelijk in het vliegtuig hebben bevonden en zijn meegereisd met de verdachte en de medeverdachte.
Het hof acht de verklaringen die de medeverdachte [medeverdachte 1] in dat verband heeft afgelegd ongeloofwaardig. Gevraagd naar de feiten die aan de verdachte ten laste zijn gelegd onder 2 en 3, heeft [medeverdachte 1] tegenover de Koninklijke Marechaussee – in relatie tot de vluchten van 3 en 5 oktober 2016 en 14 en 17 november 2016 – verklaard dat hij samen met zijn gezin naar Griekenland is gegaan om familie te bezoeken en kleding te brengen, twee dagen later met zijn echtgenote naar Nederland is gegaan terwijl de kinderen in het vluchtelingenkamp bij familie achterbleven, dat hij later met zijn echtgenote is teruggevlogen naar Griekenland en vervolgens samen met zijn vrouw en kinderen is teruggevlogen. Aanvankelijk verklaarde de medeverdachte (p. 439, 440) dat hij in beide perioden met zijn kind(eren) in één dag vanuit Nederland met de auto naar Athene is gereden. Een autorit van Nederland naar Griekenland is evenwel een reis van minstens 2.600 kilometer waar iemand zonder te stoppen al ruim 24 uur over doet (open bron: Google maps). Later stelt medeverdachte zijn verklaring bij. Hij is naar de havenplaats Ancona in Italië gereden en heeft van daaruit de boot naar Athene genomen. Die autoreis zou 16 uren of meer hebben geduurd (dossierpagina’s 464 en 465).
Evenals de rechtbank overweegt het hof dat de door de medeverdachte [medeverdachte 1] aanvankelijk beschreven gang van zaken fysiek vrijwel onmogelijk is en – mede gezien de wisselende verklaringen op dit punt – hoogst onaannemelijk is. Door de verdediging zijn ook geen stukken zoals tankbonnen of betalingsbewijzen van een wegrestaurant overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte en medeverdachte in de betreffende periode daadwerkelijk een autoreis naar Griekenland hebben gemaakt. Weliswaar zijn ter terechtzitting in hoger beroep foto’s overgelegd die volgens de verdediging in Griekenland zijn gemaakt en waarop kinderen te zien zijn, maar omdat niet valt vast te stellen op welke data en plaatsen deze foto’s zijn gemaakt vormen deze foto’s geenszins een ondersteuning voor de verklaringen van de verdachte en/of medeverdachte [medeverdachte 1] .
Voorts betrekt het hof bij zijn oordeel ook nadrukkelijk de inhoud van de verklaring van de verdachte tegenover de Koninklijke Marechaussee op 27 november 2017, waarin zij heeft erkend dat het niet haar eigen kinderen waren met wie zij vanuit Athene naar Nederland is gevlogen. Hetgeen door de raadsman omtrent dat verhoor ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd geeft het hof geen aanleiding te twijfelen aan de rechtmatigheid van het afgenomen verhoor noch aan de betrouwbaarheid van de inhoud ervan. Het hof bezigt die verklaring d.d. 27 november 2017 dan ook tot het bewijs.
Het verweer wordt verworpen.
Met betrekking tot het bewezenverklaarde medeplegen overweegt het hof nog als volgt.
Het hof stelt voorop dat betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden aangemerkt indien is komen vast te staan dat bij het begaan van dat strafbare feit sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de verdachte samen met de medeverdachte [medeverdachte 1] met een onbekend gebleven minderjarige respectievelijk twee onbekend gebleven minderjarigen vanuit Athene naar Nederland is gevlogen waarbij gebruik is gemaakt van de paspoorten van de kinderen van de verdachte. De verdachte heeft de kinderen samen met de medeverdachte begeleid en tijdens de reis onder haar hoede genomen. Naar het oordeel van het hof was haar rol cruciaal, omdat het vertrouwen wekt wanneer een man en een vrouw samen met kinderen als gezin reizen.
Op grond van het voorgaande oordeelt het hof dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en haar medeverdachte die in de kern heeft bestaan uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
mensensmokkel, terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen.
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
mensensmokkel, terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de mensensmokkel van drie onbekende minderjarige personen. Hiermee heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de Nederlandse rechtsorde. Zij heeft zich niets aangetrokken van het overheidsbeleid aangaande de bestrijding van illegaal verblijf in Nederland en illegale doorreis door Nederland. Daar komt bij dat zij – gelet op de gebruikte paspoorten van hun eigen kinderen – jonge kinderen moeten hebben gesmokkeld, die niet zelfredzaam kunnen worden geacht, en waarvan op geen enkele wijze is gebleken hoe het ze na de smokkel naar Nederland is vergaan. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat zij heeft gehandeld zoals is bewezenverklaard.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 30 november 2021, betreffende het justitieel verleden van de verdachte. Hieruit blijkt dat zij niet eerder met politie of justitie in aanraking is gekomen.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is in beginsel zonder meer een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Het hof heeft echter oog voor de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Het hof weegt in het bijzonder mee dat uit het dossier blijkt dat de verdachte een minder zwaarwegende rol heeft gehad in de gepleegde mensensmokkel dan haar partner (en medeverdachte) [medeverdachte 1] . Dit blijkt onder meer uit de verhoren van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] , waaruit het hof opmaakt dat zij tot op zekere hoogte is aangestuurd door medeverdachte [medeverdachte 1] . Hierin ziet het hof aanleiding om in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen in combinatie met een maximale taakstraf.
Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is hieromtrent gebleken dat de verdachte niet werkt en – naar eigen zeggen als ‘huisvrouw’ – zich bezighoudt met de zorg voor haar kinderen.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde, oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, alsmede een taakstraf voor de duur 240 uren, een passende en geboden straf is.
Met het opleggen van een deels voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
Redelijke termijn
Ten slotte heeft het hof in aanmerking genomen dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is, onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.
In dat kader heeft het hof het volgende geconstateerd.
De redelijke termijn in hoger beroep is aangevangen op 19 december 2018 met het instellen van hoger beroep door de verdachte. Het hof wijst heden, 1 februari 2022, arrest. De behandeling in hoger beroep is daarom niet afgerond met een einduitspraak binnen 24 maanden na aanvang van de redelijke termijn. Gelet hierop stelt het hof vast dat de redelijke termijn met ongeveer 13,5 maanden is overschreden.
Nu geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg, stelt het hof vast dat de totale overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en hoger beroep ongeveer 13,5 maanden bedraagt. Van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding kunnen rechtvaardigen is niet gebleken.
Zonder schending van de redelijke termijn zou een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, alsmede een taakstraf voor de duur 240 uren, passend en geboden zijn geweest. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, alsmede een taakstraf voor de duur 192 uren.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 197a van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
192 (honderdtweeënnegentig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
96 (zesennegentig) dagen hechtenis.
Aldus gewezen door:
mr. H.A.T.G. Koning, voorzitter,
mr. W.E.C.A. Valkenburg en mr. B. Stapert, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. H.M. Vos en mr. J.A.A. Vulto, griffiers,
en op 1 februari 2022 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. H.A.T.G. Koning is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.In de hierna volgende bewijsmiddelen wordt - tenzij anders vermeld - verwezen naar het procesdossier van de Koninklijke Marechaussee, Brigade Limburg Zuid, onderzoek Nowra, onderzoeknummer 27EAE170004, gesloten op 24 januari 2018 en op ambtsbelofte/ambtseed opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , met bijlagen, bestaande uit in wettige vorm opgemaakte processen-verbaal en/of geschriften, doorgenummerde dossierpagina's 1-1240.
2.Dossierpagina’s 398-399.
3.Dossierpagina’s 490 en 495.
4.Dossierpagina 947.
5.Dossierpagina’s 949-950.
6.Dossierpagina’s 988-989.
7.Dossierpagina’s 1018 en 1035.
8.Dossierpagina 1105.
9.Dossierpagina’s 1144-1145.
10.Dossierpagina’s 1176, 1185 en 1186.