Uitspraak
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch
[verdachte] ,
- ‘handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie’ (feit 1);
- ‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod’ (feit 2), en
- ‘poging tot gebruikmakende van een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt, opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, aanwezig in een woning of op een andere niet voor het publiek toegankelijke plaats, een afbeelding vervaardigen’ (feit 3 subsidiair),
hij op of omstreeks 8 april 2021 te Oosterhout een wapen van categorie III, onder 4, van de Wet wapens en munitie, te weten een alarm- en startpistool van het merk Bruni, type GAP, voorhanden heeft gehad;
hij op of omstreeks 8 april 2021 te Oosterhout opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 60 ml GHB (Gamma Hydroxy Boterzuur), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB (Gamma Hydroxy Boterzuur), zijnde Gamma Hydroxy Boterzuur, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
hij op of omstreeks 7 april 2021 te Oosterhout, gebruik makende van een technisch hulpmiddel, te weten een endoscoop, waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar was gemaakt opzettelijk en wederrechtelijk van [benadeelde partij] , aanwezig in een woning of op een andere niet voor het publiek toegankelijke plaats, te weten (in de doucheruimte) in de woning gelegen aan de [adres 2] , een afbeelding heeft vervaardigd;
hij op 8 april 2021 te Oosterhout een wapen van categorie III, onder 4, van de Wet wapens en munitie, te weten een alarm- en startpistool van het merk Bruni, type GAP, voorhanden heeft gehad;
hij op 8 april 2021 te Oosterhout opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 60 ml GHB (Gamma Hydroxy Boterzuur), zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
hij op 7 april 2021 te Oosterhout, ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om gebruik makende van een technisch hulpmiddel, te weten een endoscoop, waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar was gemaakt opzettelijk en wederrechtelijk van [benadeelde partij] , aanwezig in een woning, te weten de [adres 2] , een afbeelding te vervaardigden, door vanuit/vanaf de zolder van de naastgelegen woning aan de [adres 3] , een gat in een muur en een ventilatiebuis te boren en (vervolgens) een kabel met daaraan verbonden een endoscoop door dat gat in de muur en de ventilatiebuis in de doucheruimte van de buurvrouw, genaamd [benadeelde partij] , te laten zakken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Het proces-verbaal van aangifte met fotobijlage d.d. 11 april 2021, dossierpagina’s 14-20, voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [benadeelde partij] :
Het proces-verbaal van bevindingen met fotobijlage d.d. 21 oktober 2021, dossierpagina’s 22-30, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 3] :
Het proces-verbaal van verhoor d.d. 9 april 2021, dossierpagina’s 78-83, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [medeverdachte] :
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 april 2021, dossierpagina’s 87-88, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 4] :
Het proces-verbaal van verhoor d.d. 9 april 2021, dossierpagina’s 68-74, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] :
Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 april 2021, dossierpagina 187, voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 5] :
opde woning van de benadeelde partij rechtstreekse schade is die is toegebracht door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte, te weten een poging tot het heimelijk filmen van het slachtoffer terwijl zij
inhaar woning aan het douchen was. Voornoemde kosten zijn niet redelijkerwijs toe te rekenen aan en staan naar het oordeel van het hof niet in een rechtstreeks verband met verdachtes bewezenverklaarde handelen, zodat de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk is in de vordering tot materiële schadevergoeding.
,nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van 10 dagen kan worden toegepast, indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
BESLISSING
taakstrafvoor de duur van
80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
40 (veertig) dagen hechtenis;
€ 500,00 (vijfhonderd euro)ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 april 2021 tot aan de dag der voldoening;
€ 500,00 (vijfhonderd euro) aan immateriële schadeaf;
€ 500,00 (vijfhonderd euro)aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 april 2021 tot aan de dag der voldoening, en bepaalt dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 10 (tien) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;