Uitspraak
- de dagvaarding nietig dient te worden verklaard;
- het openbaar ministerie met betrekking tot de impliciet subsidiair tenlastegelegde overtredingsvariant niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte;
- de verklaringen die de verdachte bij de politie heeft afgelegd dienen te worden uitgesloten van het bewijs voor zover die verklaringen anders luiden dan de verklaringen die de verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd;
- sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, hetgeen dient te leiden tot bewijsuitsluiting;
- de verdachte (al dan niet partieel) dient te worden vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde;
- de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging;
- het hof, in geval van enige bewezenverklaring, overeenkomstig het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte geen straf of maatregel zal opleggen.
1.Organisatiestructuur
2.Wettelijk kader
3.Overwegingen met betrekking tot het feit
- op 15 maart 2007 24 blikjes Ocetra A Caviar (125 gram per stuk);
- op 10 december 2007 60 blikjes Ocetra Caviar (30 gram per stuk);
- op 10 oktober 2008 24 blikjes Ocetra Caviar (125 gram per stuk);
- op 1 april 2009 16 blikjes Ocetra Caviar (125 gram per stuk);
- en op 3 december 2009 20 blikjes Ocetra A Caviar (30 gram per stuk).
- in of omstreeks maart 2007 aan [naam 1] 8 blikjes Beluga kaviaar (30 gr);
- in of omstreeks juni 2008 aan [naam 2] 10 blikjes Oscietra kaviaar (30 gr);
- in of omstreeks december 2008 aan [naam 3] 8 blikjes Oscientra kaviaar (30 gr);
- in of omstreeks april 2009 aan [naam 3] 15 blikjes Oscientra kaviaar (30 gr) en
- in of omstreeks november 2009 aan [naam 2] 13 blikjes Oscientra kaviaar (30 gr)
De voorzitter zegt mij dat ik in dienst was bij [rechtspersoon 1] , dat [rechtspersoon 2] in december 2007 is opgericht en vraagt mij wat mijn rol was in beide bedrijven.(...)
de verdachte zelfdoor de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, , constateert het hof dat de verdediging onderhavig beroep op toepassing van artikel 359a Sv niet heeft gemotiveerd aan de hand van de in lid 2 van bedoeld artikel genoemde factoren. Blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is de rechter enkel gehouden op een zodanig verweer een met redenen omklede beslissing te geven, indien duidelijk en gemotiveerd aan de hand van deze factoren is aangegeven tot welk in artikel 359a Sv omschreven rechtsgevolg het gestelde vormverzuim dient te leiden (vgl. HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, rov. 3.7.). Met inachtneming van het voorgaande en nu het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt ontbreken in de toelichting van de verdediging, behoeft dit verweer geen verdere bespreking.
- het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,
- de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon,
- de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf,
- de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.