ECLI:NL:GHSHE:2022:3513
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van ontnemingsvordering wegens ontbreken veroordeling
In deze zaak heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het hoger beroep behandeld tegen een vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant inzake een ontnemingsvordering ex artikel 36e Wetboek van Strafrecht. De betrokkene was in de onderliggende strafzaak vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten.
De advocaat-generaal vorderde bevestiging van het vonnis waarvan beroep, terwijl namens de betrokkene niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie werd bepleit, omdat de strafzaak vrijspraak had opgeleverd. Het hof oordeelde dat het ontbreken van een veroordeling wegens een strafbaar feit de ontvankelijkheid van een ontnemingsvordering in de weg staat, zoals blijkt uit artikel 511e en artikel 348 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
Daarom vernietigde het hof het vonnis van de rechtbank en verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de ontnemingsvordering. Dit betekent dat zonder strafrechtelijke veroordeling geen verplichting tot betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden opgelegd.
Het arrest werd gewezen door mr. B. Stapert, mr. P.T. Gründemann en mr. C.A. van Roosmalen, waarbij de eerste twee rechters het arrest niet medeondertekenden.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering wegens het ontbreken van een veroordeling.