In deze strafzaak is verdachte in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De veroordeling betrof medeplegen van een opzettelijke overtreding van artikel 3, onder B, van de Opiumwet en diefstal met braak.
Verdachte stelde hoger beroep in tegen dit vonnis. Het hof heeft het dossier en de vordering van de advocaat-generaal bestudeerd en vastgesteld dat verdachte geen schriftelijke grieven heeft ingediend, noch mondeling bezwaren heeft geuit tijdens de terechtzitting. Tevens heeft verdachte geen raadsman of raadsvrouw gemachtigd om namens hem grieven aan te voeren.
Op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, is het hof van oordeel dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Er is geen aanleiding om af te wijken van deze regel en de zaak inhoudelijk te behandelen. Het arrest is uitgesproken op 6 oktober 2022 door de meervoudige kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch.