In deze strafzaak ging het om de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit een hennepkwekerij aangetroffen in een bedrijfspand. De betrokkene, bestuurder van de betrokken vennootschappen, stelde dat hij slechts een bedrijfsruimte had verhuurd en ontkende directe betrokkenheid bij de hennepteelt.
De rechtbank had het voordeel geschat op €114.040,41, maar het hof vernietigde dit vonnis en stelde het voordeel vast op €14.000,-. Dit bedrag bestaat uit een eenmalige huurbetaling van €10.000,- en vijf maanden huur à €800,-. Het hof baseerde dit op het huurcontract en bankafschriften die de betrokkene had overgelegd.
De verdediging voerde aan dat het voordeel lager moest worden vastgesteld, maar het hof oordeelde dat geen kosten in mindering konden worden gebracht omdat deze niet aannemelijk waren gemaakt en niet direct verband hielden met het delict.
De redelijke termijn was in eerste aanleg en hoger beroep overschreden, maar het hof vond dat dit reeds voldoende was gecompenseerd in de hoofdzaak en legde geen extra sancties op.
Het hof legde de betrokkene de verplichting op tot betaling van €14.000,- aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel en bepaalde de maximale gijzeling op 280 dagen.