Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.[appellant] ,
[appellante],
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze zaak staat de toepassing van artikel 7:280 BW Pro centraal, dat de rechter de bevoegdheid geeft om een termijn van maximaal een maand te verlenen aan huurders om verzuimde huurbetalingen alsnog te voldoen. De huurovereenkomst tussen verhuurder en huurders is ontbonden vanwege huurachterstand en niet-nakoming van huurbetalingen vanaf het begin van de overeenkomst.
Huurders hebben in hoger beroep verzocht om een 'terme de grâce' toe te kennen, stellende dat zij bezig zijn met het vergaren van gelden en dat de kantonrechter onterecht deze termijn heeft geweigerd. Het hof overweegt dat hoewel artikel 7:280 BW Pro een discretionaire bevoegdheid aan de rechter geeft, deze terughoudend wordt toegepast en dat huurders geen harde aanspraak op deze termijn kunnen maken.
Het hof constateert dat huurders de achterstallige betalingen niet binnen de gestelde termijn hebben voldaan, noch aannemelijk hebben gemaakt dat zij dit kunnen of zullen doen. Ook ontbreekt onderbouwing van verbetering in het betaalgedrag. Daarom ziet het hof geen aanleiding om een termijn van genade toe te kennen en bekrachtigt het het vonnis van ontbinding en ontruiming. Huurders worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van ontbinding en wijst het beroep van huurders af, met veroordeling in proceskosten.