In deze civiele procedure staan twee hoger beroepszaken centraal waarin partijen, [persoon A] en [persoon B], tegenover elkaar staan over kwesties rondom schuldeisersverzuim en een eigenmachtige ontruiming door de verhuurder. Het geschil bouwt voort op eerdere vonnissen van de rechtbank Oost-Brabant en eerdere arresten van het hof.
Het hof heeft partijen verzocht om duidelijkheid te verschaffen over welke stukken na het tussenarrest van 15 december 2020 zijn genomen, waarbij [persoon B] een ontbrekende productie heeft toegevoegd. Beide partijen hebben bevestigd dat alle relevante stukken, inclusief die van eerste aanleg en hoger beroep, inmiddels aan het hof zijn overgelegd.
Desondanks constateert het hof dat er onduidelijkheid blijft over de memorie van grieven en antwoorden met betrekking tot het vonnis van 28 november 2019. Het hof concludeert dat [persoon B] geen memorie van antwoord of grieven heeft ingediend tegen dat vonnis, hoewel er wel stukken zijn aangeduid als behorend tot dat hoger beroep.
Het hof geeft partijen de gelegenheid om zich hierover uit te laten middels een aktewisseling, waarna het verdere besluit wordt aangehouden. De zaak is verwezen naar de rol van 30 augustus 2022 voor het indienen van deze akte.