In deze civiele procedure voor het gerechtshof 's-Hertogenbosch staan twee aan elkaar verbonden zaken centraal, waarin partijen geschillen hebben over schuldeisersverzuim en een eigenmachtige ontruiming door de verhuurder. Het hoger beroep betreft onder meer het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 26 maart 2020 en 28 november 2019.
Het hof heeft in een tussenarrest van 5 april 2022 partijen verzocht om duidelijkheid te verschaffen over welke processtukken na 15 december 2020 in de zaak met nummer 200.279.899/01 zijn genomen. Partijen hebben vervolgens stukken aangeleverd, waaronder ontbrekende producties, en hebben zich over en weer aangesloten op de aangeleverde stukken.
Uit de beoordeling blijkt dat in de procedure sprake is van onduidelijkheid over de memorie van grieven en antwoorden met betrekking tot het vonnis van 28 november 2019. Partijen hebben weliswaar stukken ingediend die als hoger beroep tegen dat vonnis zijn aangeduid, maar deze hebben feitelijk geen betrekking op dat vonnis. Het hof geeft partijen de gelegenheid om zich hierover uit te laten en houdt iedere verdere beslissing aan.
De zaak is verwezen naar de rol van 30 augustus 2022 voor nadere akte-uitwisseling, waarna het hof verdere beslissing zal nemen. Dit arrest is gewezen door de rolraadsheren en in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2022.