De zaak betreft een hoger beroep van de moeder tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant die haar minderjarige kind onder toezicht van een gecertificeerde instelling (GI) heeft gesteld. De moeder betwistte de ondertoezichtstelling en stelde dat er geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging en dat de ondertoezichtstelling slechts diende om contact tussen de vader en de minderjarige te bewerkstelligen, wat volgens haar niet toegestaan is zonder ernstige bedreiging.
De raad en de GI voerden aan dat de minderjarige ernstig wordt bedreigd in haar identiteitsontwikkeling en dat eerdere vrijwillige hulpverleningstrajecten zijn mislukt. Het contact tussen de vader en de minderjarige ontbreekt al ruim anderhalf jaar, mede door de slechte verstandhouding tussen de ouders. Het hof concludeert dat de wettelijke vereisten voor ondertoezichtstelling zijn vervuld en dat het niet gaat om een zuivere omgangsondertoezichtstelling, maar om een maatregel die meerdere doelen dient, waaronder het verbeteren van de communicatie tussen de ouders en het onderzoeken van hechtingsproblematiek.
Het hof bekrachtigt de beschikking van 8 april 2022, compenseert de proceskosten in hoger beroep en wijst het meer of anders verzochte af. De ondertoezichtstelling blijft van kracht tot 8 april 2023.