In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de werkzaamheden die een advocaat in rekening had gebracht aan de wederpartij redelijkerwijs waren verricht. Het hof behandelde het hoger beroep tegen een vonnis van de kantonrechter en beoordeelde het bewijs dat door de advocaat was geleverd.
De advocaat had uren in rekening gebracht voor werkzaamheden in februari en maart 2018, waaronder het bestuderen van een omvangrijk strafdossier. Zij bracht getuigenverklaringen in, waaronder die van de werknemer die de werkzaamheden verrichtte en diens zoons, alsmede producties zoals het strafdossier. De wederpartij betwistte de omvang en noodzaak van de werkzaamheden en leverde tegenbewijs.
Het hof oordeelde dat de verklaring van de werknemer als partijgetuige onvoldoende werd ondersteund door aanvullend bewijs. De verklaringen van de zoons en de overgelegde stukken boden geen overtuigend aanvullend bewijs. Bovendien werden de uren die de werknemer claimde te hebben gewerkt weersproken door getuigen van de wederpartij. Hierdoor werd het bewijs onvoldoende geacht.
Als gevolg hiervan werd het vonnis van 26 juni 2019 bekrachtigd, maar werd het toegewezen bedrag verminderd met een bedrag van € 2.885,85. De advocaat werd veroordeeld tot terugbetaling van het teveel betaalde bedrag aan de wederpartij, vermeerderd met wettelijke rente. De proceskosten werden verdeeld tussen partijen.