Uitspraak
Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,
mevrouw [de pleegmoeder] ,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] ;
- de raad, vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de raad] ;
- de pleegmoeder.
- de brief van 10 december 2021 met bijlagen van de GI;
- het V-formulier van 13 december 2021 met bijlagen van de moeder;
- de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 december 2021, ingekomen ter griffie van het hof op 21 december 2021;
3.De beoordeling
- [minderjarige 1] (hierna te noemen:
- [minderjarige 2] (hierna te noemen:
Als de moeder niet het gezag terugkrijgt, wil zij dat de pleegmoeder de voogdij krijgt of iemand anders uit het haar netwerk, zolang het maar niet bij de GI komt te liggen.
De moeder had al lang moeten laten zien dat zij zelf voor de kinderen kan zorgen, maar de zaak verkeert nog in een onderzoeksfase. Het is nu te laat. De discussie over de verblijfplaats van de kinderen moet in het juiste perspectief worden geplaatst. Als deze discussie in 2014 of 2015 was gevoerd, had de moeder een punt gehad, maar er is na al die jaren nog steeds geen indicatie dat zij op termijn wel zelf voor de kinderen kan zorgen. De moeder is in staat om de contacten met de kinderen leuk vorm te geven en de omgangsregeling verloopt goed. Dat is een positieve ontwikkeling. Als je het afzet tegen de jaren die verstreken zijn, is het een magere ontwikkeling. De moeder had al veel grotere stappen moeten zetten.
Dit betekent dat het hof de beslissing van de rechtbank zal bekrachtigen en dat het gezag van de moeder beëindigd blijft. Al het overige door de moeder aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden. Er is geen strijd met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, omdat deze beslissing juist noodzakelijk is ter bescherming van de kinderen.