ECLI:NL:GHSHE:2022:202

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
27 januari 2022
Publicatiedatum
27 januari 2022
Zaaknummer
200.302.317_01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:266 BWArt. 1:247 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezag ouders over minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De ouders zijn het niet eens met de beslissing van de rechtbank om hun gezag over hun minderjarige kind te beëindigen. Het kind woont sinds de geboorte in een pleeggezin en staat onder toezicht van de gecertificeerde instelling. De ouders wensen het gezag te behouden en wijzen op de band met het kind en het feit dat de aanvaardbare termijn nog niet verstreken zou zijn.

De raad en de gecertificeerde instelling betogen dat het gezag beëindigd moet worden omdat het kind gehecht is aan het pleeggezin waar het al bijna vier jaar woont en de ouders niet in staat zijn gebleken om binnen een aanvaardbare termijn de verzorging en opvoeding op zich te nemen. Het is in het belang van het kind dat er duidelijkheid komt over waar het mag opgroeien.

Het hof overweegt dat het gezag op grond van artikel 1:266 BW Pro kan worden beëindigd indien het kind in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de ouders niet binnen een aanvaardbare termijn de verzorging en opvoeding kunnen bieden. Het hof bevestigt de eerdere beoordeling dat het gezag moet worden beëindigd vanwege ernstige bedreiging van de ontwikkeling en het ontbreken van voldoende opvoedvaardigheden bij de ouders. De hechting van het kind aan het pleeggezin en de noodzaak van stabiliteit en duidelijkheid zijn zwaarwegend. De bestreden beschikking wordt bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beëindiging van het gezag van de ouders over de minderjarige.

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH
Team familie- en jeugdrecht
Uitspraak : 27 januari 2022
Zaaknummer : 200.302.317/01
Zaaknummer 1e aanleg : C/02/383994 / FA RK 21-1530
in de zaak in hoger beroep van:
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
en
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader,
verzoekers in hoger beroep,
advocaat: mr. E.M.A. Leijser,
tegen
de Raad voor de Kinderbescherming,
regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,
hierna te noemen: de raad.
Deze zaak gaat over: [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] .
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (de GI).
en
[pleegouders] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de pleegouders.
In het kort
De vader en de moeder zijn het niet eens met de beëindiging van hun gezag over [minderjarige] .

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 10 augustus 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1.
Bij beroepschrift van 9 november 2021, met producties, ingekomen bij het hof op diezelfde datum, hebben de ouders verzocht te bepalen dat het beroep gegrond wordt verklaard, de bestreden beschikking wordt vernietigd en het inleidend verzoek van de raad van 19 maart 2021 wordt afgewezen.
2.2.
De raad heeft op 20 december 2021 een verweerschrift ingediend.
2.3.
Het hof heeft voorts kennis genomen van:
- V6-formulier van 16 november 2021, met bijlage, van de advocaat van de ouders, ingekomen bij het hof op 1 december 2021.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 december 2021. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;
- de pleegouders.
2.4.1.
De vader is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet tijdens de mondelinge behandeling bij het hof verschenen.

3.De beoordeling

3.1.
De moeder en de vader zijn de ouders van:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige] ).
3.2.
[minderjarige] staat met ingang van 21 februari 2018 onafgebroken onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 21 februari 2022.
3.3.
[minderjarige] is op grond van een daartoe strekkende machtiging met ingang van 18 mei 2018 uit huis geplaatst in het gezin van de pleegouders.
3.4.
De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking op verzoek van de raad het gezag van de ouders over [minderjarige] beëindigd.
3.5.
De ouders kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen.
3.5.1.
De ouders voeren – kort samengevat – het volgende aan. De ouders willen het gezag over [minderjarige] behouden. De vader is in staat om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen. Uit onderzoek dat eerder heeft plaatsgevonden blijkt namelijk dat de vader over voldoende opvoedvaardigheden beschikt. Van spanningen in de relatie tussen de ouders is geen sprake meer, aangezien de ouders hun relatie hebben verbroken en ieder een eigen woning hebben. Daar komt bij dat de band tussen [minderjarige] en de ouders goed is. De door de wet bedoelde aanvaardbare termijn is nog niet verstreken, zodat thuisplaatsing tot de mogelijkheden behoort. Dit dient, zo nodig, opnieuw onderzocht te worden.
3.6.
De raad voert – kort samengevat – het volgende aan. Het gezag van de ouders over [minderjarige] dient beëindigd te worden. De aanvaardbare termijn voor [minderjarige] is verstreken. [minderjarige] is gehecht in het pleeggezin waar hij reeds sinds zijn geboorte woont. Ook al zouden de ouders (of één van hen) in staat zijn om voor [minderjarige] te zorgen, dan nog is het niet in zijn belang om het verblijf van [minderjarige] in het pleeggezin te doorbreken. Deze beslissing gaat daarom over meer dan alleen het gezag; namelijk ook over de plek waar [minderjarige] opgroeit. Indien de ouders zouden kunnen berusten in de plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin, zou dit wellicht mogelijkheden geven in de toekomst te kijken op welke manier de positie van de ouders in het leven van [minderjarige] uitgebreid zou kunnen worden.
3.7.
De GI voert – kort samengevat – het volgende aan. [minderjarige] is op zoek naar een antwoord op de vraag waar hij mag opgroeien. Het is voor hem van belang dat hij hier duidelijkheid over krijgt. De aanvaardbare termijn waarin [minderjarige] in onzekerheid mag verkeren over zijn perspectief is verstreken. Het is schadelijk voor de ontwikkeling van [minderjarige] om de hechting die hij is aangegaan met de pleegouders nu nog te doorbreken. Bovendien beschikken de ouders niet over voldoende vaardigheden de opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen. Een thuisplaatsing behoort ook daarom niet meer tot de mogelijkheden. Het is nodig dat het gezag beëindigd wordt, omdat de ouders de plaatsing van [minderjarige] bij de pleegouders niet accepteren en de GI zorgen heeft of de nodige beslissingen ten behoeve van [minderjarige] genomen kunnen worden.
3.8.
De pleegouders voeren – kort samengevat – het volgende aan. [minderjarige] is op dit moment heel erg bezig met de vraag “waar hoor ik thuis?”. Het is voor [minderjarige] en de rust in het pleeggezin van belang dat er duidelijkheid komt waar [minderjarige] mag opgroeien. De ouders van [minderjarige] zullen voor hem altijd in beeld blijven en altijd betrokken blijven bij zijn leven.
3.9.
Het hof overweegt het volgende.
3.9.1.
Ingevolge artikel 1:266 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien
een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW Pro, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
de ouder het gezag misbruikt.
3.9.2.
Evenals de rechtbank, en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen onderzoek en waardering tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat het gezag van de moeder en de vader over [minderjarige] beëindigd dient te worden omdat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] en de ouders niet in staat zijn gebleken de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn. Aan de bestreden beschikking voegt het hof nog het volgende toe.
3.9.3.
Vanwege de grote zorgen die er waren over de opvoedsituatie van [minderjarige] is [minderjarige] enkele dagen na zijn geboorte geplaatst in het pleeggezin waar hij nu nog steeds verblijft. In de periode daarna is onderzocht of [minderjarige] bij zijn ouders zou kunnen gaan wonen. De vader heeft hiertoe in 2018 via [instantie] een traject doorlopen. Dit traject is niet afgerond vanwege de houding van de vader (moeite met het nakomen van afspraken) en de voortdurende conflicten in de relatie tussen de ouders. Ook de moeder is aangemeld voor diverse moeder-kind-trajecten. De moeder is hiertoe niet toegelaten, mede vanwege haar persoonlijke problematiek (verstandelijke beperking, beperkt zelfinzicht en beperkte leerbaarheid) en de eerdere ervaringen van de moeder met een terugplaatsingstraject van [dochter] , dochter van de ouders.
Hoewel de ouders aangeven graag te willen dat de vader voor [minderjarige] gaat zorgen is het hof van oordeel dat dit niet in het belang van [minderjarige] is. De beperkte opvoedvaardigheden van de vader in combinatie met de in het verleden zeer spanningsvolle en conflictueuze relatie tussen de ouders maken dat dit niet kan. Het hof heeft daarbij betrokken dat niet is gebleken dat aan die spanningsvolle relatie en communicatie tussen de ouders een einde is gekomen. Een plaatsing van [minderjarige] bij de vader thuis zou gelet hierop een ernstige bedreiging van zijn ontwikkeling betekenen. Dat is niet in het belang van [minderjarige] . Met [minderjarige] gaat het immers goed in het pleeggezin waar hij inmiddels bijna vier jaar woont. [minderjarige] is gehecht in dit gezin en hij heeft in het pleeggezin een veilige en stabiele opvoedomgeving gekregen. Dit dient niet doorbroken te worden. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de door de wet bedoelde aanvaardbare termijn voor [minderjarige] is verstreken. De ouders zijn niet in staat gebleken om binnen die termijn de verzorging en opvoeding alsnog voor hun rekening te nemen. Voor een nieuw onderzoek naar een plaatsing bij de vader ziet het hof daarom geen aanleiding meer.
Het is voor de positieve ontwikkeling van [minderjarige] van groot belang dat hij geen onzekerheid meer ervaart over de vraag of hij zal mogen opgroeien in het pleeggezin. Een situatie waarin de ouders inspraak blijven houden in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] doet afbreuk aan de voor [minderjarige] hard nodige rust en duidelijkheid. Aangezien de ouders ook de plaats van [minderjarige] in het pleeggezin niet onvoorwaardelijk accepteren maakt dit, alle omstandigheden tezamen beoordeeld, dat een beëindiging van het gezag van de ouders over [minderjarige] noodzakelijk is. De ouders blijven echter een belangrijke plaats in het leven van [minderjarige] houden en dat zal door deze beslissing niet veranderen.
3.9.4.
Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen.

4.De beslissing

Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 10 augustus 2021;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, E.P. de Beij, A.J.F. Manders en is op 27 januari 2022 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.