In deze civiele procedure in hoger beroep gaat het om een vordering van Boogert tegen NOMO tot betaling uit hoofde van derdenbeslag na een eindvonnis in een geschil tussen Boogert en DPP over een bouwproject. Boogert vordert betaling van een bedrag dat NOMO volgens haar moet voldoen op grond van het beslag.
Het hof stelt vast dat NOMO verplicht is te betalen op basis van het eindvonnis, maar dat de hoogte van het bedrag lager is dan door de voorzieningenrechter was vastgesteld. NOMO kan zich niet beroepen op verweren die betrekking hebben op de rechtsverhouding tussen DPP en Boogert. Het hof corrigeert het bedrag tot €343.178,21 en beperkt ook de buitengerechtelijke incassokosten.
Verder oordeelt het hof dat het spoedeisend belang van Boogert aanwezig is en dat het geschil niet te complex is voor behandeling in kort geding. Het restitutierisico ligt bij DPP, niet bij NOMO. De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd. Het arrest bekrachtigt het vonnis behalve waar het gaat om de hoogte van het te betalen bedrag en de proceskostenveroordeling, die worden vernietigd en opnieuw vastgesteld.