In deze civiele erfrechtelijke procedure stond de vraag centraal of de inhoud van het testament van 26 oktober 2015 overeenstemt met de uiterste wil van de erflater. Appellante voerde aan dat dit niet het geval was en stelde dat erflater niet had ingestemd met een transactie van € 10.000,- op 4 december 2014. Het hof had in een tussenarrest partijen toegelaten tot tegenbewijs tegen de stellingen van geïntimeerden.
Appellante heeft echter geen tegenbewijs geleverd, waardoor het hof de stellingen van geïntimeerden voorshands bewezen achtte. Hierdoor bleef het testament van 26 oktober 2015 zonder rechtsgevolg en werden de vorderingen van appellante die daarop waren gebaseerd afgewezen. Ook het verweer van appellante tegen de toewijzing van de transactie van € 10.000,- werd verworpen.
Het hof heeft het vonnis van 23 oktober 2019 bekrachtigd, met uitzondering van twee geldbedragen: het bedrag van € 4.108,75 wordt afgewezen met terugbetaling aan appellante, en het bedrag van € 10.000,- wordt alsnog toegewezen aan geïntimeerden. De proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.