3.4.Grieven I tot en met IV zijn gericht tegen de vaststelling van de feiten in het bestreden vonnis. Deze grieven falen, omdat daaruit niet volgt waarom de desbetreffende vaststellingen van de feiten onjuist zijn. Anders dan [appellant] betoogt, zijn de desbetreffende vaststellingen niet suggestief in de door [appellant] gestelde zin. Dat in het bestreden vonnis bepaalde feiten niet zijn opgenomen in het overzicht van de tussen partijen vaststaande feiten, zoals [appellant] betoogt, is niet van belang. Het staat de rechter immers vrij te bepalen welke tussen partijen vaststaande feiten voorafgaand aan de beoordeling tot uitgangspunt worden genomen. Andere feiten, en de vaststelling daarvan, kunnen vervolgens - voor zover relevant - bij de beoordeling aan de orde komen.
Partijen bij de geldlening
3.5.1.Grieven V tot en met IX, en grief XV (deels), zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat, kort gezegd, uit het door [geïntimeerde] bijgebrachte bewijs volgt dat [appellant] partij is bij de overeenkomst van geldlening zoals neergelegd in de akte van geldlening van 30 maart 2012, en uit dien hoofde kan worden aangesproken tot nakoming van de verplichting tot terugbetaling van de leningen.
3.5.2.Het hof stelt voorop dat de geldleningen zijn aangegaan in 2010 en 2012. Op grond van artikel 200* Overgangswet Nieuw BW is op geldleningsovereenkomsten die aangegaan zijn vóór 1 januari 2017 het voordien geldende recht van toepassing (artikelen 7A:1791 e.v. (oud) BW).
In dit verband overweegt het hof dat [appellant] heeft betwist dat [geïntimeerde] de gevorderde bedragen daadwerkelijk ter leen heeft verstrekt (memorie van grieven, 48 sub iii). Deze stelling is echter in strijd met de eigen stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] op 22 maart 2010 een bedrag van € 150.000,- ter leen heeft verstrekt aan Beheer (memorie van grieven, 5). Ten aanzien van het bedrag van € 300.000,- heeft [appellant] ook bevestigd dat dit is verstrekt aan Beheer. Het feit dat dit bedrag niet werd ontvangen van [geïntimeerde] maar van een van diens vennootschappen ( [Z] Projecten B.V.), zoals [appellant] stelt (memorie van grieven, 6), doet daaraan niet af. Het hof stelt daarom vast dat aan het, onder het oude recht, geldende vereiste voor de totstandkoming van een geldleningsovereenkomst dat de uitgeleende gelden daadwerkelijk moeten zijn verstrekt, is voldaan.
3.5.3.Het hof stelt voorts voorop dat het antwoord op de vraag of de overeenkomst van geldlening is gesloten tussen [geïntimeerde] en [appellant] als hoofdelijk schuldenaar (naast Beheer), afhangt van wat [geïntimeerde] en [appellant] daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Op grond van artikel 150 Rv rust de stelplicht en bewijslast op dit punt bij [geïntimeerde] .
3.5.4.[geïntimeerde] heeft gemotiveerd uiteengezet op welke wijze de lening van € 150.000,- tot stand is gekomen (dagvaarding, 2-7). Volgens [geïntimeerde] was [appellant] op zoek naar liquide middelen voor zijn onderneming, terwijl [geïntimeerde] op dat moment een overschot aan liquide middelen had. Via wederzijdse kennissen in het lokale ondernemerscircuit, met name [persoon A] , zijn beiden met elkaar in contact gekomen. [geïntimeerde] en [appellant] hebben voorafgaand aan het aangaan van de geldlening uitdrukkelijk besproken dat [appellant] hoofdelijk medeschuldenaar zou zijn van de geldlening. Begin 2012 heeft [appellant] [geïntimeerde] opnieuw benaderd omdat hij behoefte had aan aanvullende middelen voor verdere groei van zijn ondernemingen, waarna [geïntimeerde] hem nog eens € 300.000,- heeft geleend. Zij spraken daarbij ook af om de (eerder) gemaakte afspraken op papier te zetten, aldus [geïntimeerde] .
3.5.5.[appellant] heeft betwist dat hij in persoon partij is bij de geldleningen, althans bij de hoofdverplichting om de geleende bedragen terug te betalen. Wat [appellant] hiertoe heeft aangevoerd, komt hierna voor zover relevant bij de beoordeling aan de orde.
3.5.6.Het hof overweegt dat de akte van geldlening in de kop vermeldt dat deze een geldlening betreft tussen [geïntimeerde] en Beheer. Bij de vermelding van de “ondergetekenden”, is Beheer aangemerkt als “schuldenaar”. Tegelijkertijd is echter bepaald dat [appellant] handelt voor zich in privé en als bestuurder van Beheer. Bij de ondertekening is [appellant] vermeld als ondertekenaar voor Beheer, terwijl in artikel 9 (vestiging hypotheekrecht) verplichtingen zijn opgenomen voor “ondergetekenden sub 1 en 3” tot vestiging van een 3e hypotheek, waarmee kennelijk [appellant] en [persoon B] zijn bedoeld aangezien zij als zodanig zijn aangeduid bij “ondergetekenden” en aangezien zij de eigenaren zijn van de in overweging 4 genoemde onroerende zaken waarop al twee hypotheken rustten. In de bepalingen van de akte wordt [appellant] veelal als “ondergetekende sub 1” aangeduid. Deze terminologie wordt echter niet consequent gehanteerd. In artikel 7 sub a sub 6 is bepaald dat de hoofdsom opeisbaar is als “de schuldenaar de aandelen in het kapitaal van de vennootschap geheel of gedeeltelijk verkoopt”, waarbij “de schuldenaar” lijkt te verwijzen naar [appellant] . In artikel 9 sub b wordt eveneens de term “de schuldenaar” gebruikt, terwijl daarmee kennelijk [appellant] en [persoon B] zijn bedoeld.
Hoewel de akte van geldlening dus in overwegende mate wijst op Beheer als (enige) schuldenaar van de geldlening, is de akte daarover niet eenduidig. De pandakte (zie 3.1 onder e) is hierover wel eenduidig, maar hieraan komt naar het oordeel van het hof minder gewicht toe aangezien deze akte niet is bestemd om de rechten en verplichtingen van [geïntimeerde] enerzijds en [appellant] en/of Beheer anderzijds vast te leggen, en bovendien niet door [geïntimeerde] is ondertekend.
3.5.7.[persoon A] heeft als getuige onder meer het volgende heeft verklaard.
“De heren [geïntimeerde] en [appellant] zijn mij bekend vanuit het ondernemerscircuit. (…) Ik heb ook een advieskantoor en ben van zeker 2007 tot en met 2015 persoonlijk als adviseur betrokken geweest bij advisering aan [appellant] in privé als wel voor zijn onderneming. (…) Het is juist dat ik [geïntimeerde] in contact heb gebracht met [appellant] . (…) Een van de redenen om hen met elkaar in contact te brengen is dat het met [appellant] en zijn onderneming niet zo goed ging in die zin dat de privéuitgaven van [appellant] buitensporig waren. Hij heeft een huis laten bouwen van circa drie miljoen en daarbij het bedrijf gebruikt om daarvan een deel te financieren. Als het dan met de onderneming niet goed gaat dan gaat zich dat wreken. [appellant] had gewoon geld nodig. Ik heb hem toen in contact gebracht met niet alleen [geïntimeerde] maar ook met een andere collega-ondernemer, de heer [getuige 2] . (…)
Ik hoor u zeggen dat er een discussie is over de vraag of [appellant] zich in privé hoofdelijk aansprakelijk heeft gesteld voor die geldleenovereenkomsten. Hier is voor mij geen onduidelijkheid over. [appellant] is naar mijn mening privéaansprakelijk voor die geldleenovereenkomsten. Dat was de bedoeling tussen partijen. Het was voor mij van belang dat [appellant] de geldleningen zou aflossen. Ik had [geïntimeerde] immers met [appellant] in contact gebracht en het zou voor mij persoonlijk niet goed voelen als [appellant] niet zou aflossen. Dat [appellant] zich privé heeft verbonden aan de aflossing blijkt ook uit het feit dat dit zo is vastgelegd in de aangiften inkomstenbelasting waarvan ik weet dat in ieder geval één geldlening als privé is opgenomen. (…) Een en ander is ook verwerkt in de rekening-courant op de balans van de onderneming. (…) Op uw vraag of ik [appellant] heb horen zeggen dat hij zich in privé gebonden achtte aan de aflossing van de geldleningen van [geïntimeerde] zeg ik u dat hij tegen mij meerdere keren heeft gezegd dat hij die geldleningen zou gaan betalen wat er ook zou gebeuren. (…)”
3.5.8.[getuige 1] heeft als getuige onder meer het volgende verklaard.
“Ik heb van 2008/2009 tot en met 2014 voor de onderneming van [appellant] als wel voor hem in privé als accountant werkzaamheden verricht vanuit het kantoor [kantoor] . (…)
Ik weet niet zeker of ik bij de totstandkoming van beide geldleenovereenkomsten betrokken ben geweest maar gezien het feit dat ik de accountant was van [appellant] moet dit haast wel zo zijn. (…) Ik weet dat het altijd de bedoeling is geweest om privézekerheid vanuit [appellant] te verstrekken ten bate van [geïntimeerde] voor aflossing van de geldleningen. [appellant] heeft mij ook gezegd dat hij zich zowel zakelijk als privé zou inspannen voor aflossing van die schulden. (…) Het bedrijf verkeerde in die tijd in zwaar weer. [geïntimeerde] en [getuige 2] hebben op tijd de onderneming van financiële middelen voorzien zodat de continuïteit op dat moment gegarandeerd was. [appellant] heeft meerdere keren tegen mij gezegd dat hij zich privé gebonden achtte aan die geldleningen. (…) De financieringen van [geïntimeerde] en [getuige 2] zijn ook als privéfinancieringen geboekt en niet als zakelijke financiering. Dit had te maken met de zogenaamde “no further debt” clausule, gesteld door de Rabobank. De financieringen van [geïntimeerde] en [getuige 2] zijn ook terug te vinden in de ib-aangiftes. Aflossingen en rentes werden in rekening-courant geboekt omdat het om een privéfinanciering ging. (…) Op uw vraag of [geïntimeerde] als voorwaarde heeft gesteld voor het verschaffen van geldleningen dat [appellant] privé hoofdelijk aansprakelijk zou zijn antwoord ik u dat uit de overeenkomst zelf blijkt dat dit de bedoeling is. (…)”
3.5.9.[getuige 2] heeft als getuige onder meer het volgende verklaard.
“Ik ben directeur-eigenaar van een bouwbedrijf. En ken in die hoedanigheid de heren [geïntimeerde] en [appellant] . (…) Wij kennen allen [persoon A] zijnde een collega-ondernemer. (…) er [zijn] diverse besprekingen bij [appellant] thuis geweest waarbij aanwezig [persoon A] , [geïntimeerde] en ik. Ik heb naast mijn bouwbedrijf ook nog een investeringsbedrijfje. Ik heb zelf aan [appellant] privé een geldlening verstrekt. Ik weet dat [geïntimeerde] dat ook gedaan heeft. (…) wij [hebben] alleen gesproken over het verstrekken van geldleningen aan [appellant] privé. Dit had te maken met de te verstrekken zekerheden. Er is uitdrukkelijk met hem gesproken over de hoofdelijke aansprakelijkheid (…).
3.5.10.Het hof hecht belang aan de verklaring van [persoon A] dat het ten tijde van het aangaan van de geldleningen de bedoeling was van partijen dat [appellant] in privé aansprakelijk was voor die geldleningen. [persoon A] heeft weliswaar niet concreet verklaard over wat partijen ten tijde van het aangaan van de geldleningen over en weer hebben verklaard, maar zijn perceptie van de bedoelingen van partijen is niettemin van belang gelet op het feit dat hij degene was die partijen bij elkaar heeft gebracht, en betrokken is geweest bij de totstandkoming van de akte van geldlening in maart 2012.
3.5.11.De verklaring van [persoon A] wordt bevestigd door [getuige 1] . Hoewel [getuige 1] zich niet meer goed kon herinneren of hij bij de totstandkoming van de geldleningen betrokken is geweest, heeft hij eenduidig verklaard dat [appellant] meerdere keren tegen [getuige 1] heeft gezegd dat hij zich privé gebonden achtte aan de geldleningen.
3.5.12.De verklaringen van [persoon A] en [getuige 1] zijn in lijn met de verklaring van [getuige 2] . [getuige 2] heeft bovendien concreet verklaard dat in de gesprekken voorafgaand aan het aangaan van de geldleningen, bij [appellant] thuis, uitdrukkelijk met [appellant] is gesproken over diens hoofdelijke aansprakelijkheid voor de geldleningen.
3.5.13.Het hof hecht waarde aan het feit dat de verklaringen van [persoon A] , [getuige 1] en [getuige 2] overeenstemmen. Het hof hecht ook waarde aan het feit dat [persoon A] en [getuige 1] beiden adviseurs waren aan de kant van [appellant] , zoals vastgesteld door de rechtbank (rov. 4.5), welk punt door [appellant] niet althans onvoldoende gemotiveerd is bestreden (memorie van grieven, 73).
3.5.14.Dat [appellant] de gemaakte afspraken over de geldleningen aldus heeft opgevat dat hij daar persoonlijk voor aansprakelijk was, volgt ook uit het feit dat hij de daaruit voortvloeiende schulden heeft opgenomen in zijn eigen aangiftes inkomstenbelasting (zie 3.1 onder f) en producties 7 en 8 bij dagvaarding). Dat de aangiftes zijn opgesteld door [persoon A] , zoals [appellant] aanvoert, doet er niet aan af dat de belastingaangiftes verklaringen behelzen van [appellant] als aangever. Met zijn betoog dat het opnemen van de leningen als persoonlijke schulden in de aangiftes slechts fiscale stellingnames zijn en/of boekhoudkundige vermeldingen (memorie van grieven, 76), miskent [appellant] dat ook fiscale stellingnames en boekhoudkundige vermeldingen juist dienen te zijn. Bij gebreke van een uitleg waarom de vermeldingen in de belastingaangiftes over de persoonlijke schulden van [appellant] onjuist zijn maar niettemin wel in die aangiftes als zodanig zijn opgenomen, gaat het hof dan ook uit van de juistheid van die vermeldingen.
3.5.15.Hier komt bij dat zowel [persoon A] als [getuige 1] hebben verklaard dat betalingen (aflossingen en rente) die door of namens Beheer werden gedaan, werden geboekt in de rekening-courant van [appellant] bij de desbetreffende vennootschap. [appellant] heeft dit niet weersproken. Deze boekingen bevestigen dat de geldleningen in de relatie tussen [appellant] en zijn vennootschappen werden beschouwd en behandeld als leningen waarvan [appellant] in privé de lasten diende te dragen.
3.5.16.Zonder nadere toelichting, die door [appellant] niet is gegeven, kan aan het voorgaande niet afdoen dat [geïntimeerde] , in september 2017, heeft voorgesteld aan [appellant] om een aanvulling op de akte van geldlening aan te gaan en daarin duidelijk vast te leggen dat [appellant] in privé aan alle verplichtingen uit de geldleningovereenkomst gebonden is. Uit die enkele omstandigheid volgt immers niet, althans niet zonder meer, dat partijen die afspraak bij het aangaan van de overeenkomst nog niet hadden gemaakt. Daarbij vindt het hof ook van belang dat in de considerans van de door [geïntimeerde] aan [appellant] voorgelegde nadere akte met zoveel woorden is opgenomen dat zij ertoe strekte om afspraken die ten tijde van het aangaan van de geldleningsovereenkomst van 30 maart 2012 al waren gemaakt te verduidelijken, onder meer over de gebondenheid in privé van [appellant] aan de verplichtingen onder de geldleningsovereenkomst, omdat dit niet per definitie uit de tekst van de geldleningsovereenkomst zou blijken. Zodoende duidt de voorgestelde nadere akte er ook inhoudelijk niet, althans niet zonder meer, op dat zij is opgesteld ter vastlegging van nieuwe, nadere afspraken tussen partijen, zoals [appellant] betoogt. Ook de weigering van [appellant] om deze nadere akte te ondertekenen duidt er niet, althans niet zonder meer, op dat partijen de hiervoor bedoelde afspraken ten tijde van het aangaan van de geldleningsovereenkomst nog niet hadden gemaakt (memorie van grieven, 73).
3.5.17.[appellant] heeft tenslotte, in de toelichting op grief XV die is gericht tegen rov. 417 van het bestreden vonnis, aangevoerd dat met betrekking tot de tweede lening van € 300.000,- niet [geïntimeerde] in privé optrad als geldgever maar [geïntimeerde] Projecten B.V.
Het hof overweegt dat [appellant] geen grief heeft gericht tegen rov. 2.1 van het bestreden vonnis waarin is vastgesteld dat de lening van € 300.000,- door [geïntimeerde] is verstrekt. Reeds daarom faalt dit betoog van [appellant] . Bovendien acht het hof, gelet op het bepaalde in overwegingen 1 en 2 van de akte van geldlening, en gelet op de vermelding in de aangiftes inkomstenbelasting van [appellant] dat het gaat om leningen van [geïntimeerde] (en niet [geïntimeerde] Projecten B.V.), bewezen dat de leningen van € 150.000,- en € 300.000,- door [geïntimeerde] zijn verstrekt.
3.5.18.Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de stelling van [geïntimeerde] dat partijen zijn overeengekomen dat [appellant] hoofdelijk medeschuldenaar is van de geldleningen zoals neergelegd in de akte van geldlening, is bewezen. Daarmee falen de grieven V tot en met IX, en in zoverre grief XV.
3.6.1.Met grieven X tot en met XIII bestrijdt [appellant] het oordeel van de rechtbank dat [persoon B] de akte van geldlening in privé heeft ondertekend en gezien de inhoud van de akte toestemming heeft gegeven voor het aangaan van de verplichtingen in de akte, ook van [appellant] in privé.
3.6.2.Het hof stelt voorop dat de vraag of [persoon B] , als echtgenote van [appellant] , toestemming heeft gegeven voor het aangaan van de geldleningen als hoofdelijk schuldenaar, dient te worden beantwoord in het kader van het beroep van [appellant] op het verweer dat deze rechtshandelingen door [persoon B] zijn vernietigd vanwege het ontbreken van haar toestemming ingevolge artikel 1:88 lid 1 sub c BW. Op grond van artikel 150 Rv rust de stelplicht en bewijslast van het ontbreken van deze toestemming bij [appellant] .
3.6.3.[appellant] heeft aangevoerd dat [persoon B] niet in privé partij was bij de geldleningsovereenkomst. Zij heeft de akte van geldlening ondertekend in hoedanigheid van medebestuurder van Beheer. Voor zover zij wel partij is, betekent dat niet zonder meer dat zij daarmee haar toestemming heeft gegeven voor de rechtshandelingen die [appellant] is aangegaan. [persoon B] was op geen enkele wijze betrokken bij de totstandkoming van (de inhoud van) de geldleningsovereenkomst. Er is nooit met [persoon B] gesproken over haar toestemming.
3.6.4.[geïntimeerde] heeft betwist dat [persoon B] geen toestemming heeft gegeven voor de verplichtingen die [appellant] als hoofdelijk medeschuldenaar is aangegaan. Ter onderbouwing hiervan heeft [geïntimeerde] onder meer aangevoerd dat [persoon B] het financiële en administratieve draaipunt van de ondernemingen van [appellant] was. Zij was, meer nog dan [appellant] , op de hoogte van de financiën van de onderneming. Zij deed de volledige administratie van [appellant] in privé en van diens ondernemingen. Zij heeft ook de betalingen op de leningen, voor zover deze zijn verricht, aan [geïntimeerde] overgeboekt. [persoon B] wist van de wijze waarop de inkomende geldleningen van € 150.000,- en € 300.000,- in de administratie werden ingeboekt; zij heeft deze inboekingen zelf gedaan. Deze inboekingen vonden plaats als privéleningen. Zo zijn de leningen ook opgenomen in de aangiftes inkomstenbelasting van [appellant] en [persoon B] , aldus [geïntimeerde] (memorie van antwoord, 9 en 102).
3.6.5.Het hof overweegt dat [appellant] de stellingen van [geïntimeerde] over de betrokkenheid en wetenschap van [persoon B] over de wijze waarop de betalingen op de geldleningen aan [geïntimeerde] werden geadministreerd bij de ondernemingen van [appellant] niet heeft betwist. Het betreft hier met name het Aannemingsbedrijf, zo volgt uit de bewijzen van betaling overgelegd door [appellant] (productie 7 bij akte van 17 juni 2020). Het Aannemingsbedrijf werd door [appellant] en [persoon B] gezamenlijk geëxploiteerd (conclusie van antwoord, 5). [persoon B] heeft haar administratieve rol bij het Aannemingsbedrijf in haar verklaring als getuige bevestigd. Uit de onbetwiste stellingen van [geïntimeerde] volgt dat [persoon B] wist dat betalingen die namens Beheer – door het Aannemingsbedrijf – werden gedaan inzake de geldleningen, werden geboekt in de rekening-courant van [appellant] bij de desbetreffende vennootschap, wat duidt op het privékarakter van deze leningen (3.5.15). Uit het door [appellant] overgelegde overzicht van de namens Beheer betaalde bedragen (productie 11 bij memorie van grieven) volgt dat op 14 januari 2011 en 7 december 2011 – en dus voorafgaand aan het ondertekenen van de akte van geldlening in maart 2012 – door het Aannemingsbedrijf rente op de leningen is betaald aan [geïntimeerde] . Daarvan was [persoon B] dus op de hoogte, alsook dat deze betalingen werden geboekt in de rekening-courant van [appellant] . Daarnaast heeft [persoon A] als getuige verklaard dat [persoon B] ervan op de hoogte was dat [appellant] meermaals aan [persoon A] had bevestigd dat hij de geldleningen diende terug te betalen. De verklaring van [getuige 1] is hiermee ook in lijn. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat bewezen is dat [persoon B] voorafgaand aan het ondertekenen van de akte van geldlening in maart 2012 op de hoogte was van het feit dat [appellant] hoofdelijk medeschuldenaar was van de geldleningen.
3.6.6.Het hof volgt [appellant] niet in zijn stelling dat [persoon B] de akte van geldlening slechts heeft ondertekend in haar hoedanigheid van medebestuurder van Beheer. In de akte, onder “ondergetekenden” is [persoon B] aangeduid als “mede-ondergetekende” en is uitdrukkelijk vermeld dat zij gehuwd is met [appellant] . Anders dan bij [appellant] , is bij [persoon B] niet bepaald dat zij handelt als bestuurder van Beheer. Bij de ondertekening is zij alleen in persoon vermeld en, anders dan [appellant] , niet als bestuurder van Beheer. Gelet hierop, en gelet op de verklaringen van [persoon A] en [getuige 1] over de wetenschap van [persoon B] van de bevestiging van [appellant] dat hij de geldleningen diende terug te betalen, acht het hof bewezen dat [persoon B] met het ondertekenen van de akte van geldlening haar toestemming heeft gegeven voor het aangaan van de geldleningen door [appellant] als hoofdelijk medeschuldenaar, althans dat [geïntimeerde] het redelijkerwijs zo heeft mogen begrijpen dat zij daarmee haar toestemming gaf, in de zin van artikel 1:89 lid 2 BW. Daaruit volgt dat deze rechtshandelingen van [appellant] niet vernietigbaar zijn. Daarmee falen grieven X tot en met XIII.
Opeisbaarheid / achterstelling
3.7.1.Grief XIV is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het bepaalde over achterstelling in artikel 11 van de akte van geldlening niet aan opeisbaarheid van de vordering van [geïntimeerde] in de weg staat. [appellant] voert aan dat deze achterstelling, primair, kwalificeert als oneigenlijke achterstelling, namelijk een afspraak waarbij partijen de opeisbaarheid van de vordering van de junior schuldeiser ( [geïntimeerde] ) laten afhangen van het voldoen van de vordering van de senior schuldeiser (Rabobank), dan wel een afspraak waarbij de senior schuldeiser en de junior schuldeiser overeenkomen dat de junior schuldeiser zich niet verhaalt op de schuldenaar totdat de vordering van de senior schuldeiser is voldaan. Subsidiair heeft de gemaakte afspraak te gelden als een eigenlijke achterstelling ex artikel 3:277 lid 2 BW waarbij partijen bepaald hebben dat de vordering een lagere rang heeft ten aanzien van Rabobank.
3.7.2.Het hof overweegt dat [appellant] de stelling van [geïntimeerde] dat het bepaalde in artikel 11 van de akte van geldlening nooit tussen partijen is besproken (memorie van antwoord, 133), niet heeft betwist, zodat het hof daarvan uitgaat. Het hof stelt voorop dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De rechten en verplichtingen van partijen ten opzichte van elkaar worden niet alleen bepaald door hetgeen zij uitdrukkelijk zijn overeengekomen, maar ook door de redelijkheid en billijkheid die hun rechtsverhouding beheerst.
3.7.3.Van de door [appellant] geschetste mogelijke betekenissen van artikel 11 van de akte van geldlening is alleen de eerste mogelijk van belang. De andere twee alternatieven zien immers op een overeengekomen rangorde bij verhaal, wat in deze zaak niet aan de orde is. De door [appellant] voorgestane uitleg, namelijk dat partijen de opeisbaarheid van de vordering van [geïntimeerde] hebben laten afhangen van het voldoen van de vordering van Rabobank verdraagt zich niet met het bepaalde in artikel 6 van de akte van geldlening. Dit artikel bepaalt immers onvoorwaardelijk dat rente en aflossing moeten worden betaald, en wel op relatief korte termijn in 2012. Daarbij bepaalt artikel 3, onvoorwaardelijk, dat de lening in zijn geheel uiterlijk op 31 maart 2013 moet zijn afgelost. Daarnaast voorziet ook artikel 7 in specifieke gevallen waarin de lening dadelijk opeisbaar is, waarbij de achterstelling van artikel 11 geen rol speelt. Gelet op deze concrete bepalingen, en aangezien de artikelen 3 en 6 de kern vormen van de verplichtingen van de leningnemer, heeft [appellant] de betekenis van artikel 11 redelijkerwijs niet zo mogen opvatten dat de verplichting tot aflossing en rentebetaling, ondanks het bepaalde in de artikelen 3, 6 en 7, niet opeisbaar zou zijn zo lang vorderingen van Rabobank niet waren voldaan. [appellant] heeft het zo ook niet opgevat, getuige de aflossingen en rentebetalingen die de door hem bestuurde vennootschappen Beheer en het Aannemingsbedrijf in de loop der tijd hebben gedaan. Daarmee faalt grief XIV.
3.8.1.Met grief XV voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte een bedrag van € 238.865,55 in hoofdsom heeft toegewezen. Dit moet volgens [appellant] € 128.241,92 zijn. Met grief XVI voert [appellant] aan dat hij slechts over dit laatste bedrag de contractuele rente is verschuldigd.
[appellant] voert hiertoe in de eerste plaats aan dat uit het overzicht van aflossingen en rentebetalingen, door hem overgelegd als productie 11 bij memorie van grieven, volgt dat op 25 november 2016 een restschuld van € 194.412,85 resteerde. In de tweede plaats voert [appellant] aan dat op deze restschuld een bedrag van € 66.171,03 in mindering moet worden gebracht vanwege een verrekening met een vordering van Beheer op [geïntimeerde] .
3.8.2.[geïntimeerde] heeft gemotiveerd betwist dat de betaalde rente en aflossing resulteren in een restschuld van € 194.412,85. [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat het bedrag van € 66.171,03 kan gelden als betaling c.q. verrekening ten gunste van [appellant] , zij het dat over dit bedrag volgens [geïntimeerde] rente verschuldigd blijft tot aan 27 oktober 2020, de datum waarop partijen het over deze verrekening eens werden (memorie van antwoord, 145, en toelichting daarop tijdens mondelinge behandeling).
3.8.3.Het hof overweegt, ten aanzien van het eerste punt, dat uit het door [appellant] overgelegde overzicht, volgt dat de berekening van de restschuld van € 194.412,85 kennelijk gebaseerd is op de veronderstelling dat betaalde bedragen aan rente moeten worden afgetrokken van de verschuldigde hoofdsom. Dat is onjuist. Slechts aflossingen mogen in mindering worden gebracht op de hoofdsom.
3.8.4.[appellant] voert terecht aan dat het bedrag van € 66.171,03 in mindering moet worden gebracht op de verschuldigde hoofdsom. [geïntimeerde] betwist dit ook niet (meer). Uit de correspondentie tussen partijen, overgelegd als productie 10 bij memorie van grieven, volgt dat partijen het eens zijn geworden dat dit bedrag kan worden verrekend met de vordering van [geïntimeerde] op [appellant] . Verrekening werkt terug tot het tijdstip, waarop de bevoegdheid tot verrekening is ontstaan. Dat is het moment waarop de desbetreffende vordering op [geïntimeerde] opeisbaar was. Uit de stellingen van [appellant] volgt niet precies wanneer dit is geweest – het overzicht van productie 11 vermeldt factuurdata van 7 oktober 2016 en 22 december 2016 – maar tussen partijen is niet in geschil dat dit niet later was dan 27 december 2016, de datum van faillissement van Beheer.
Uit het voorgaande volgt dat op het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 238.865,55 een bedrag van € 66.171,03 in mindering moet worden gebracht, zodat een bedrag in hoofdsom resteert van € 172.694,52. De contractuele rente van 9% per jaar is verschuldigd over dit bedrag vanaf 27 december 2016 tot de dag van voldoening. In zoverre slagen de grieven XV en XVI. Voor het overige falen zij.