Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
3.De procedure in eerste aanleg
in conventie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
In deze zaak gaat het om een geschil tussen broers over het gebruik en de verkoop van de woning die deel uitmaakt van de nalatenschap van hun overleden moeder. De moeder had haar kinderen benoemd tot erfgenamen en executeurs met gezamenlijke bevoegdheid. Na haar overlijden wilden twee broers de woning verkopen, terwijl de derde broer, appellant, stelde dat hij recht had om in de woning te blijven wonen.
De voorzieningenrechter had eerder een machtiging verleend aan de broers die de verkoop wilden realiseren, waarbij appellant nog een termijn kreeg om de woning te verlaten. Appellant stelde in hoger beroep dat hij een onvoorwaardelijk recht had om in de woning te verblijven en dat het gebruik van de machtiging tot verkoop misbruik van recht was.
Het hof overweegt dat de machtiging onherroepelijk is en dat appellant zijn bezwaren reeds in eerdere procedures heeft kunnen aanvoeren, die zijn verworpen. Het hof oordeelt dat het recht van appellant om bij leven in de woning te verblijven niet impliceert dat hij na het overlijden van moeder een blijvend gebruiksrecht heeft. Het belang van appellant bij het wonen in de woning is reeds meegewogen bij het verlenen van de machtiging en weegt niet zwaarder dan het belang van de andere erfgenamen bij verkoop.
Het hof wijst de grieven van appellant af en bekrachtigt het bestreden vonnis, waarbij partijen elk hun eigen kosten dragen. De woning is inmiddels ontruimd en de verkoop kan doorgaan zonder dat sprake is van misbruik van recht door de verkoopbevoegde erfgenamen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst het beroep van appellant af, waardoor de verkoop van de woning kan doorgaan zonder misbruik van recht.