Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2021:764

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
16 maart 2021
Publicatiedatum
16 maart 2021
Zaaknummer
200.290.781/01
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Uitvoeringswet internationale kinderontvoeringszakenArt. 60 Wet op de Rechterlijke OrganisatieArt. 110 Wetboek van Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijzing teruggeleidingszaak internationale kinderontvoering naar gerechtshof Den Haag

Partijen hadden een affectieve relatie waaruit een dochter is geboren. Na beëindiging van de relatie woonde de dochter bij de moeder in Nederland, terwijl de vader naar het buitenland was verhuisd. De vader startte een bodemprocedure en kort geding om de hoofdverblijfplaats van de dochter te wijzigen en een reisverbod te verkrijgen.

De voorzieningenrechter in eerste aanleg veroordeelde de vader tot teruggeleiding van de dochter naar Nederland. De vader kwam hiertegen in hoger beroep en vorderde dat de dochter voorlopig bij hem zou blijven totdat onherroepelijk over de hoofdverblijfplaats was beslist.

Het hof oordeelde dat op grond van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoeringszaken en de Wet op de Rechterlijke Organisatie de Nederlandse rechter in internationale kinderontvoeringszaken exclusief bevoegd is, waarbij de rechtbank Den Haag en het gerechtshof Den Haag de bevoegde instanties zijn. Daarom verwees het hof de zaak naar het gerechtshof Den Haag om daar voortgezet te worden, gezien de spoedeisendheid en deskundigheid.

De zaak werd verwezen in de stand van het geding, waarmee het hoger beroep en het incident worden voortgezet bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: De zaak wordt verwezen naar het gerechtshof Den Haag om daar voortgezet te worden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht
zaaknummer 200.290.781/01
arrest van 12 maart 2021
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats] ,
appellant in de hoofdzaak en in het incident,
hierna aan te duiden als [appellant] ,
advocaat: mr. J. Breeveld te Haarlem,
tegen
[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde in de hoofdzaak en in het incident,
hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. M.M. van der Marel te Eindhoven,
op het bij exploot van dagvaarding van 25 februari 2021 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 15 februari 2021, door de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellant] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en [geïntimeerde] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/367272 / KG ZA 21-46)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2.Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en in het incident

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding in hoger beroep van 25 februari 2021 tevens memorie van grieven met producties;;
  • de memorie van antwoord met producties in zowel de hoofdzaak als het incident.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3.De beoordeling in de hoofdzaak en in het incident

3.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
3.2.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie is op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] geboren [dochter] (hierna: [dochter] ). [appellant] heeft [dochter] erkend en partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over [dochter] .
De relatie tussen partijen is in 2010 geëindigd, waarna [dochter] bij de vrouw is gaan wonen. De man is geremigreerd naar [woonplaats] .
Partijen zijn in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken overeengekomen dat [dochter] van 20 december 2020 tot en met 3 januari 2021 bij de man op [woonplaats] zou verblijven. [dochter] is op 3 januari 2021 niet teruggekeerd vanuit [woonplaats] naar Nederland. [dochter] verblijft bij de vader op [woonplaats] . De man heeft op [woonplaats] een bodemprocedure gestart strekkende tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van [dochter] en een kort geding strekkende tot een reisverbod van [dochter] totdat de rechter in de bodemzaak een onherroepelijk eindoordeel heeft gegeven.
Bij vonnis in kort geding van 22 januari 2021 heeft het Gerecht in eerste aanleg van [woonplaats] zich onbevoegd verklaard, omdat [dochter] haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
Op 28 januari 2021 heeft de man een voorwaardelijk verzoek ingediend bij de rechtbank Oost-Brabant tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van [dochter] voor het geval het gerecht op [woonplaats] zich in de op [woonplaats] aanhangige procedure onbevoegd zal verklaren.
3.3.1.
In de onderhavige procedure vordert de vrouw in conventie bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de man te gelasten de minderjarige binnen twee dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis terug te (laten) geleiden naar de vrouw in Nederland en, indien de man weigert de minderjarige naar Nederland te brengen, afgifte van de minderjarige met haar paspoort aan de vrouw (of een door de vrouw aan te wijzen derde) zodat de vrouw de minderjarige mee kan nemen naar Nederland, op straffe van verbeurte van een dwangsom met veroordeling van de man in de kosten van de procedure, nakosten daaronder begrepen.
3.3.2.
De man vordert in reconventie te bepalen dat [dochter] primair bij de man op [woonplaats] en subsidiair bij grootvader van [dochter] van moederzijde dan wel bij [oudtante] , oudtante van [dochter] van moederszijde in Nederland zal verblijven totdat onherroepelijk over de wijziging van de hoofdverblijfplaats van [dochter] is beslist, en de vrouw te verbieden direct of indirect [dochter] van [woonplaats] te verwijderen of proberen te verwijderen zolang niet onherroepelijk over de wijziging van de hoofdverblijfplaats van [dochter] is beslist op straffe van verbeurte van een dwangsom.
3.4.
De voorzieningenrechter heeft bij het bestreden vonnis van 15 februari 2021, kort gezegd, uitvoerbaar bij voorraad, in conventie de man veroordeeld om [dochter] binnen vijf dagen na betekening van het vonnis terug te (laten) geleiden naar de vrouw in Nederland en, indien de man weigert [dochter] naar Nederland te brengen, de man veroordeeld tot afgifte van [dochter] met haar paspoort aan de vrouw of een door de vrouw aan te wijzen derde binnen vijf dagen na betekening van het vonnis zodat de vrouw [dochter] kan meenemen naar Nederland. Daarnaast is de man veroordeeld om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 1000,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan het voorgaande voldoet tot een maximum van € 20.000,-- is bereikt. De vorderingen in reconventie zijn afgewezen.
3.4.
De man is in hoger beroep gekomen van voormeld vonnis van de voorzieningenrechter. Hij vordert in hoger beroep, na eiswijziging en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, vernietiging van het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende te bepalen dat [dochter] voorlopig bij de man op [woonplaats] zal verblijven totdat onherroepelijk over de wijziging hoofdverblijfplaats van [dochter] is beslist en de vrouw te verbieden [dochter] direct of indirect van [woonplaats] te verwijderen of proberen te verwijderen zolang niet onherroepelijk over de wijziging van de hoofdverblijfplaats van [dochter] is beslist, op straffe van verbeurte van een dwangsom. In het incident vordert de man, kort gezegd, de werking van de uitvoerbaarheid bij voorraad van het bestreden vonnis te schorsen.
3.5.
Het hoger beroep van de man richt zich tegen de toegewezen vordering van de vrouw tot teruggeleiding van [dochter] naar Nederland.
3.5.1.
Artikel 11 van Pro de Uitvoeringswet internationale kinderontvoeringszaken regelt de relatieve bevoegdheid van de Nederlandse rechter in internationale kinderontvoeringszaken. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering is, onverminderd de bevoegdheid van de voorzieningenrechter Den Haag in kort geding, in eerste aanleg uitsluitend de kinderrechter van de rechtbank Den Haag bevoegd tot kennisneming van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag daarover toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens. Uit deze bepaling leidt het hof af dat deze concentratie van rechtspraak ook geldt in kort geding procedures.
Uit het bepaalde in artikel 60, eerste lid, Wet op de Rechterlijke Organisatie (RO) volgt dat concentratie van rechtspraak bij de rechtbank Den Haag leidt tot concentratie van de rechtspraak in hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag.
3.5.2
Nu in dit hoger beroep een gedwongen teruggeleiding van een minderjarige aan de orde is, zal het hof gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid van de Uitvoeringswet kinderontvoering en artikel 110, eerste lid, van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv) zowel de hoofdzaak als het incident naar het bevoegde gerecht, te weten het gerechtshof Den Haag om daar te worden voortgezet.
Gezien de spoedeisendheid van de zaak en de specifieke deskundigheid van het gerechtshof Den Haag in teruggeleidingszaken, ziet het hof in het belang van de minderjarige aanleiding de zaak per direct in de stand van het geding te verwijzen.
3.6.
Beslist wordt als volgt.

4.De uitspraak

Het hof:
in de hoofdzaak en in het incident:
verwijst de zaak naar het gerechtshof Den Haag in de stand van het geding om daar te worden voortgezet;
Dit arrest is gewezen door mrs. E.A.M. Scheij, C.N.M. Antens en E. Dumoulin en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 maart 2021.
griffier rolraadsheer