In deze strafzaak stond verdachte terecht voor diefstal en het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie. De rechtbank veroordeelde verdachte tot 12 maanden gevangenisstraf en legde een schadevergoedingsmaatregel op ten behoeve van de benadeelde partij.
Verdachte stelde in hoger beroep onder meer dat het vuurwapen niet van hem was en dat het door de aangeefster in zijn broekzak was gestopt. Het hof verwierp dit verweer op basis van verklaringen van aangeefster en getuigen, die het voorhanden hebben van het vuurwapen door verdachte bevestigden. Het hof achtte de verdediging niet aannemelijk.
Het hof wijzigde de beslissing omtrent het beslag door ook de in beslag genomen munitie aan het verkeer te onttrekken vanwege het ongecontroleerde bezit. Daarnaast gelastte het hof de teruggave van een geldbedrag en een mobiele telefoon aan verdachte. De proceskosten werden aangepast zodat alleen verdachte werd veroordeeld. De overige onderdelen van het vonnis werden bevestigd.