Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 9452578 VV EXPL 21-71)
2.Het geding in hoger beroep
- de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties;
- de memorie van antwoord met producties;
- de bij formulier H12 van 9 december 2021 door SGN toegezonden producties, die SGN bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht;
- de bij formulier H16 van 10 december 2021 en bij formulier H12 van 10 december 2021 door DHH toegezonden producties, die DHH bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht;
- de mondelinge behandeling op 15 december 2021, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd en bij welke gelegenheid zij elk nog producties in het geding hebben gebracht die op voorhand aan het hof waren toegezonden.
3.De beoordeling
allehuurcontracten van CNF op haar naam wil laten zetten. Enige beperking of uitzondering is hierbij door DHH niet geformuleerd.
De ‘raamovereenkomst’ is aangegaan onder het hoofd “Huurovereenkomst” en vermeldt details ten aanzien van het huurobject, de huurprijs, kosten van eindschoonmaak, btw-verplichting, borgsom etc. Het hof is van oordeel dat voorshands voldoende aannemelijk is dat de rechter, oordelend in een bodemprocedure, zal beslissen dat SGN aan het verzoek van DHH om
allehuurovereenkomsten op haar naam te zetten redelijkerwijs de zin heeft kunnen en mogen toekennen dat zij ook deze raamovereenkomst op haar naam wilde laten zetten. In dat geval is voorshands ook voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat DHH gebonden is aan de afspraken die in de ‘raamovereenkomst’ zijn opgenomen, waaronder de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden waarnaar in die overeenkomst wordt verwezen. Voor zover DHH met de grieven anders betoogt, falen de grieven.
De proceskostenveroordeling zal - zoals gevorderd - uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.